Dieperik - Naar de kelder >> Brieven >> J.
Leiden, xv dec. '97
Na een lange dag werken kom ik thuis in een leeg en koud huis. Het grootste bezwaar van zo'n vergadering na een werkdag is het missen van mijn avondmaaltijd. Na thuiskomst om 19.00 uur of later neem ik niet meer de moeite om een warme maaltijd te koken. Natuurlijk kan ik zorgen voor kliekjes of een kant en klare (diepvries)maaltijd, maar die smaakt mij na een vergadering over het algemeen niet. Want om de scherpste honger voor te zijn, krijgen wij voorafgaand aan het periodiek gebazel enkele broodjes voorgezet. Het vult, maar voldoet niet; wel neemt het de plaats in van een volwassen maaltijd.

Ondanks het middernachtelijk uur staat mijn muziek tamelijk luid; mijn bovenbuurman maakt een leven dat het een lieve lust is. Alsof hij morgenochtend niet vroeg op moet. Zin om geërgerd in bed te liggen heb ik niet, dus blijf ik maar op en maak ik geluid voor vier. Zo luid zijn de decibellen dat ik mij maar met moeite op deze tekst kan concentreren; en de onvoorspelbare geluiden van Einstürtzende Neubauten maakt het er niet gemakkelijker op. Maar goed, het doel heiligt de middelen en ik hoor liever mijn eigen muziek dan het gepiep en gekreun van de vloer boven mij. En luide stemmen, alsof hij en zijn bezoek simultaan telefoongesprekken voeren, een slechte verbinding hebben en maar wat in de hoorn brullen. Het is hier, kortom, een besloten feestje op een doordeweekse dag. Nu is het natuurlijk zaak om mijn bovenbuurman 'uit te zieken'. Ik moet het dus langer zien vol te houden dan hij. Het moet zo zijn dat hij wil gaan slapen en dat ik even vrolijk doorga met lawaai maken. Niets is zo leerzaam als aanschouwelijk onderwijs. Dat ik ook zelf daarvan slachtoffer ben, is niet relevant, - dan laat ik voor de verandering ook maar eens mijn wekker wat later aflopen. Mijn collega's komen geregeld pas om 09.30 uur of (veel) later aanwaaien. Dan mag ik mij ook wel eens verslapen, vind ik. Ik heb - ondanks mijn vier vrije middagen van deze week - toch nog twee uur tegoed. Helemaal illegaal is het bewuste te laat komen van morgen dus niet. Ik zou niet kunnen, want eigenlijk ben ik helemaal geen schuinsmarcheerder. Integendeel, tegen wil en dank ben ik een in en in brave borst, die de mond vol heeft van verzet, maar mopperend met de meute meeloopt. Of is mijn zelfbeeld niet juist en ben ik minder braaf dan ik zelf veronderstel? Henry van der Meijden heeft mij geleerd dat één keer per jaar verslapen acceptabel is; in de bijna vier jaar dat ik op deze afdeling werk, heb ik van die ambtelijke etiquette geen gebruik gemaakt. Morgenochtend is de allereerste keer. De kans dat ik betrapt word, is overigens klein.

Nog een shagje en dan is het absoluut tijd om de vouwen uit mijn lakens te strijken. Weliswaar hoef ik morgen maar een halve dag te werken, maar ik wil vooral 's middags fit en actief zijn. Dringend moet ik aan mijn verhaal over Vietnam werken, anders gaat het voorgoed in de stoffige spelonken van mijn geheugen verloren (en daar is het al zo stoffig). Ondanks mijn korte verblijf is het nog altijd de moeite van het beschrijven waard. Nu, vanuit mijn bureaustoel, kan ik mij nauwelijks meer voorstellen waarom ik eerder naar huis wilde. Sterker nog, ik verlang er naar terug, - naar de onbekende gebieden, wel te verstaan. Hetzelfde heb ik nog altijd met Indonesië, hoewel ik mij ervan bewust ben dat ik daar 'als een gek' heb rondgereisd, op zoek naar een plaats waar ik mij wat langer op mijn gemak zou voelen. Ik denk dat ik met een bus pas echt gelukkig kan rondreizen. De combinatie 'rondtrekken met een mobiel eigen thuis' spreekt zeer tot mijn verbeelding. In de grond van de zaak zijn nomaden overal thuis, omdat zij hun 'huis' met zich meeslepen. Je omringen met een aantal persoonlijke bezittingen, hoe schamel ook, wekt de suggestie van een 'eigen' territorium, een thuis waar je je veilig en geborgen kunt voelen. Ook een nomade met een rugzak vol oneigenlijke dingen (die hij niet gewoon is dagelijks te gebruiken) zal zich in een nieuwe omgeving ontheemd voelen. Ik ben een mens van spulletjes en vaste rituelen. Als ik die in een bus met mij mee kan voeren, voel ik mij overal thuis. Het landschap vormt mijn woning, maar de bus met mijn persoonlijke bezittingen bakent de grenzen van mijn ego af. Zo stel ik mij dat - vereenvoudigd - voor. Het lijkt mij zeker de moeite van een experiment waard.

Leiden, xvi dec. '97

Eindelijk bericht van S. Vanwege problemen met de software op haar bedrijf kan zij geen vrij nemen; er is een fout gemaakt bij de installatie en zij moet die volgende week oplossen. Vreemd hoe bedrijven aan het einde van het jaar hun werknemers aansporen om hun verlofuren op te maken - want die uren mogen niet mee naar volgend jaar - en aan de andere kant van hun werknemers verwachten dat zij nog meer overwerkuren maken wanneer het werk dat vereist. Om haar uren op te maken wilde S. al vanaf 15 december vrij nemen; in plaats daarvan werkt zij door, omdat zij de enige in het bedrijf is die iets van de programmatuur snapt. Het komt er op neer dat de slechtste werknemer het meest beloond worden. Want is het niet zo dat een slechte werknemer bij krapte in de manuren zegt 'sorry hoor, maar ik heb een gezin, ik kan onmogelijk langer doorwerken'. En rond de feestdagen geldt dat evenzo - zo niet nog meer - als excuus om maar niets extra's te hoeven doen. Dezelfde werknemer neemt het niet zo nauw met het op de hoogte blijven op het eigen vakgebied. Met als gevolg dat een goede werknemer bijna nooit vrij neemt - want de doorgang van het werk gaat voor - en een groot aantal verlofuren opbouwt. Dat vervolgens door de baas wordt afgepakt, omdat de verlofuren niet mee mogen naar een volgend jaar. En als je het al laat uitbetalen wordt je gestraft door een extra hoge belastingheffing. Als spil van het bedrijf kan de goede werknemer rond de feestdagen alweer geen vrij krijgen, want er zijn al minder mensen en wie moet anders het schip drijvend houden? Een goede werknemer is een dief van zijn eigen vrijetijd èn portemonnee. Geen compliment is zijn deel, maar het verwijt dat hij teveel verlofuren opbouwt; met in het meest extreme geval het onbetaald afpakken van het verloftegoed als sanctie.

Om aan de vraag van het Medisch Comité Nederland Vietnam (MCNV) - kopij voor hun krant - tegemoet te komen, belde ik vanmiddag A. met de vraag of zij interesse had in een stukje uit mijn manuscript Vietnam in Zes Gangen. Met een publicatie loop ik op de zaken vooruit, misschien, maar aan de andere kant is het een aardige graadmeter. Want ik kan er vergif op innemen dat ik van haar feedback krijg. Niet eens zozeer over stijl of vorm - dat is tenslotte aan persoonlijke smaak onderhevig, dus daar trek ik mij niet van aan - maar over de inhoud. Als weinig anderen heeft zij terdege kennis van het onderwerp en ik ben erg nieuwsgierig wat zij uit het geheel plukt als zijnde een treffende omschrijving van (het leven in) Vietnam (op dit moment). Dat het daarnaast de verkoop van mijn eerste boekje mogelijk stimuleert, mag tevens als vanzelfsprekende reden worden aangenomen. Van marketing weet ik hoegenaamd niets, maar sommige zaken zijn vanzelfsprekende wetmatigheden; een logisch boerenverstand is daartoe toereikend genoeg. 

Daarnaast hoop ik via A. en het MCNV nieuwe bronnen aan te boren. Vooral om de stukjes over de geschiedenis aan te vullen, want daarover weet ik te weinig en daardoor is de tekst naar mijn gevoel onvolledig. Een korte uiteenzetting over de geschiedenis of historische figuren, in hapklare brokken, vind ik in een reisverhaal onontbeerlijk. Want ook al bestudeer je aan de hand van talloze boeken de geschiedenis van een land, het zijn toch altijd de samengevatte hoogtepunten die uiteindelijk in je geheugen bewaard blijven. Het getuigt van een enorme service als een schrijver die hele geschiedenis voor je samenvat en die kant en klaar aanlevert om integraal in je geheugen op te slaan. Nu is het mijn beurt om die service aan mijn lezerspubliek te leveren; veel werk, dat - aan de omvang en nadruk die het in het verhaal/boek krijgt - nauwelijks naspeurbaar is. 

Morgen bezoek ik voor het eerst in mijn leven de dentale reinigingsdienst; want ondanks mijn gepoets blijken mijn tanden niet hygiënisch te zijn. Dure tandpasta en trouw poetsen ten spijt gaat mijn gebit achteruit. Niet vanwege een beugel, maar door invallende ouderdom. De mondhygiëniste zal mij opnieuw conditioneren; wat mijn moeder mij geleerd heeft 'altijd je tanden poetsen, jongen, in ieder geval voor het slapen gaan' blijkt niet voldoende. Mijn verwachtingen zijn hoog gespannen. Met niet minder dan een blinkend gebit verwacht ik Voorhout te verlaten. Maar eigenlijk kan ik het advies al voorspellen: 'Minder koffie drinken en minder roken.' Op werk na moet in het leven alles altijd maar minder. Nooit zal iemand eens zeggen 'Doe dat eens meer, want dat vind je lekker en het is goed voor je bovendien.'

Leiden, xvii dec. '97

Hondsmoe, maar nog niet verslagen. Zojuist heb ik S. voorgesteld om elkaar in Utrecht te ontmoeten in plaats van samen de kerstdagen door te brengen. Zij was wel een beetje teleurgesteld, maar zij kon er ook wel begrip voor opbrengen dat ik het liefst thuis bleef. Ook zij was moe van haar werk, van het altijd maar beschikbaar moeten zijn, ondanks de lang van tevoren gemelde eigen (verlof)plannen. Na een aanvankelijke aarzeling voelde zij er ook wel voor om elkaar een dag in Utrecht te ontmoeten. Niet om winkel in, winkel uit, te gaan shoppen, maar om in allerhande koffietenten bij te kletsen. Voor de helft bestaan onze gesprekken uit informeel werkoverleg tussen verschillende bedrijfstakken. 'Hoe gaat het er bij jullie aan toe, bij ons gaat het zo, hoe pakken jullie dat aan?', dat soort zaken. Het mag geen verbazing wekken dat het er in Duitsland bijna hetzelfde aan toe gaat als in Nederland. Managementmodellen beperken zich niet tot grenzen; ervaringen worden uitgewisseld en leerboeken worden letterlijk vertaald. De managementmaffia heeft internationale vertakkingen en perst het laatste beetje efficiency uit de gestresste werknemer.

Leiden, xviii dec. '97

Tegen de tijd dat jij deze brief leest, weet je inmiddels dat ik met de kerst niet in Duitsland zit. Ook weet je dan dat S. gebeld heeft en vertelde dat zij - vanwege werk en andere praktische zaken - niet in staat is om in Utrecht af te spreken. Op het moment dat je deze brief leest, kortom, is het 'nieuws' al niet meer actueel. Maar de brief bevat ook tijdloze standpunten, ontboezemingen en verhalen.

Van mijn plan om deze week serieus verder te werken aan mijn manuscript is niet veel terecht gekomen. Aanvankelijk ging het goed; tijdens mijn eerste vrije middag (dinsdag) heb ik het restant van de vertaling voltooid. Daarna kan het alleen maar sneller opschieten, dacht ik. Maar de volgende vrije middag moest ik al naar Voorhout, om mijn gebit door de mondhygëniste te laten schoonbikken. Op de terugweg van het station fietste ik nog even bij Plato langs, als troost voor mijn lijden. Daar vond ik weer veel moois. Daarna ging ik bij Van der Horst langs, om de afdrukken van mijn dia's op te halen. Deze afdrukken waren bedoeld om te verzenden als kerstkaarten. Na thuiskomst heb ik dus Nieuwjaarswensen geschreven. Eer ik aan werken toe kwam, was het alweer tijd om naar de kerstborrel van de Bestuursdienst te gaan. Daarvan kwam ik hondsmoe thuis.

Vandaag zou ik voor het eerst weer aan mijn manuscript werken, maar het werk stapelde zich in ongelooflijk tempo op, zodat ik uiteindelijk omstreeks 21.00 uur thuis was. En zo bouwt mijn verlof zich almaar verder op, in plaats van dat ik de kans krijg om mijn dagen op te maken. Overigens heb ik M. weten te overtuigen van de noodzaak van mijn overwerken; ik mag dus al mijn verlofdagen overhevelen naar volgend jaar. 

Ik had het fijn gevonden om een dag met S. door te brengen, maar de rust die nu in het verschiet ligt door het afzeggen van de afspraak is mij ook welkom. Het is de laatste tijd weer teveel, tegelijk. Ik heb het gevoel dat ik, sinds ik verkrampte in de stoel van de mondhygiëniste, mijn spieren niet meer kan ontspannen. Vrije dagen liggen in 't verschiet, maar of die ontspanning met zich meebrengen is nog onzeker.