| Dieperik - Naar de kelder >> Brieven >> Margreet |
| Leiden, xxvii feb. '94 |
| Hi Margreet, Zoals je inmiddels zult hebben gemerkt: ik heb geen hints nodig om je een brief te sturen. Dat wil zeggen: ik hoop dat de eerste brief al op je lag te wachten op het moment dat jij 5a Cafe binnenliep. Nou, graag gedaan. Als dank ook, omdat ik blij verrast was met jouw eerste brief. En dan nu alweer een tweede! Ik ben dol op egodocumenten èn op reisliteratuur, dus je begrijpt, twee-in-één brieven zijn voor mij het summum... Na vandaag heb ik nog één dag vrij en daarna begint voor mij een heel nieuw leven: in vaste dienst, als ambtenaar. Eigenlijk moet ik mezelf voorhouden dat ik niet een nieuw leven begin, maar dat ik mijn leven als voorheen voortzet, daarbij een andere baan uitoefenend. Dat klinkt minder angstaanjagend en het wekt een minder passieve indruk (ik heb immers zelf gesolliciteerd, en ben aan het werk geraakt door me actief in te zetten). Teveel ben ik geneigd om me - in een nieuwe werkkring - aan te passen, waarna ik niet mezelf ben, maar de persoon waarvan ik vermoed dat de anderen hem graag zo zien. Dat kost teveel energie, en het maakt het onmogelijk om een eigen houding ten opzichte van het werk te bepalen. Op het werk niet mezelf zijn, houdt in dat ik een derde van de dag toneel zou spelen. Het werk zal op zichzelf al genoeg energie vergen, - dat toneelspelen moet ik maar eens afleren. Mijn woning heeft opnieuw een ander uiterlijk gekregen. Vanmiddag, tijdens mijn bezoek aan Maus, heeft J. de onderdelen van mijn bed onder de trap in het portiek gezet. Vanavond pas belde zij mij op om te vertellen dat mijn bed beneden stond. Ik had geluk, niemand was op het idee gekomen om het bed te stelen. Het telefoongesprek was kort en zakelijk, mijn linkeroor vroor net niet aan de hoorn vast. De kou zette zich ook in mijn lijf vast, en om het weer een beetje warm te krijgen wilde ik het op een zuipen zetten. Ik heb me kunnen bedwingen, - wat zou het ook hebben uitgemaakt? In plaats van mijn verdriet te versterken door drinken, heb ik een uur lang zitten zuchten. Vervolgens heb ik mijn bed in elkaar geschroefd, wat planten en dozen verschoven, mijn bureau een halve meter verplaatst, gestofzuigd en daarna suf naar een film gestaard. Nu gaat het wel weer; de emoties zijn van mijn borst terug naar mijn buik gezakt. De onrust na het horen van haar stem wordt veroorzaakt door mijn nieuwsgierigheid: 'Hoe zou het met haar gaan; mist ze mij, of is ze juist blij dat ik de relatie heb verbroken?' Het zijn zinloze vragen, waarvan ik het antwoord niet wil weten, - het zou mijn eigen gevoelens (nog) teveel beïnvloeden. Zonder het te willen horen, hoop ik dat het goed met haar gaat, als ze mij maar wel een beetje mist... Langzaam maar zeker krijg ik zin in mijn nieuwe baan. Ik heb de behoefte om overdag iets te doen te hebben en wat is mooier dan aan iets nieuws te beginnen? Het is wisselend, mijn gevoelens omtrent het werk op het stadhuis. Het ene moment komt het me enorm vermoeiend voor en maakt het me onzeker; het andere moment heb ik er zin in en word ik zelfs enthousiast. Zeker is dat ik in een kermis beland. Een dag na mijn aanvang worden er gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Dat betekent dat er binnenkort nieuwe wethouders worden benoemd of dat zij onderling van plaats wisselen. Al met al bevind ik mij midden in een vernieuwing, - niet alleen mijn leven betreffend, maar mijn hele omgeving. Op zo'n moment valt mijn onzekerheid en onwennigheid niet al te zeer op, die wetenschap stelt mij voldoende gerust. Nu hoeft nog alleen het voorjaar door te breken en ik ben volledig tevree. Leiden, xxviii feb. '94 Morgen spring ik in de wereld die publieksvoorlichting heet en ik heb me amper voorbereid. Nauwelijks weet ik meer van de gemeentepolitiek en het gemeentebeleid dan de andere Leidse burgers. Misschien weet ik zelfs wel minder, want de plaatselijke huis-aan-huis kranten die ik in mijn postvak vind verdwijnen ongelezen in de papiercontainer. Vanaf morgen moet ik daar verandering in brengen. In plaats van mij terdege voor te bereiden heb ik vandaag een boek van Carolijn Visser uit de bibliotheek gehaald, Verre Reizen. Om gebonden aan Leiden en mijn woning toch nog voorbij de horizon te kijken. Verder heb ik ervoor gezorgd dat mijn keukenkasten zijn afgeladen met instant voedsel, dat mijn voorraad wierook is aangevuld, dat ik voldoende Cauloises en Javaanse Jongens 3/4 onder handbereik heb, zodat ik de komende weken na mijn werk de deur niet meer uit hoef. Niet dat ik ver moet fietsen om boodschappen te doen. Op woensdagen staat de markt direct voor de deur van het stadhuis. Daarnaast bevindt zich in het stadhuis een personeelskantine waar - als ik mij niet vergis - tijdens de lunch warme maaltijden worden geserveerd. Wanneer dat het geval is, zal ik in de toekomst nog maar weinig zelf koken. Maus bezocht vandaag zijn antroposofische huisarts, om bevestigd te krijgen wat hij zelf al wist: hij heeft zijn rib(ben) gekneusd, mogelijk zelfs gebroken. In de trein had hij reikend over de rugleuning van zijn zitplaats een aflevering van de Haagse Post gepakt die aan niemand toebehoorde; dat had hij zo bruusk gedaan - bang dat iemand hem voor zou zijn - dat hij hard met zijn linkerborstzijde tegen de leuning stootte. Meteen voelde hij een stekende pijn, die in de loop van het weekend niet verdween. De arts raadde hem aan voorlopig drie weken geen adem te halen en omdat dat onmogelijk was, dan maar rust te houden. Voorlopig hoeft hij dus niet schoon te maken bij Heineken. Ik heb eens de ribben van mijn vader gekneusd. Dat gebeurde na het feest ter ere van zijn huwelijk met Gerda. Bij ons afscheid sloot ik mijn armen om hem heen en tilde hem op, daarbij oefende ik waarschijnlijk iets teveel kracht uit. Nog lang heeft hij pijn in z'n ribben gehad. Gerda was achteraf boos op mij: ik had hun huwelijksnacht bedorven. Misschien ook heeft mijn vader gebruik gemaakt van zijn onfortuinlijke situatie; Gerda kennende zou me dat niets verbazen. Ik heb nog nooit iets vrouwelijks aan haar kunnen ontdekken, en bovendien heeft ze van die koude, helblauwe ogen als de slang in Junglebook. |