Dieperik - Naar de kelder >> Brieven >> Margreet
Leiden, viii apr. '94
Mijn vader belde mij gisteren om een afspraak te maken voor vandaag. We spraken af dat hij omstreeks 12.00 uur in Leiden zou langskomen. Vanochtend werd ik tijdens het analyseren van mijn kater uit bed gebeld. Hij moest de afspraak afzeggen want Gerda was ziek en kon niet alleen thuis blijven. Nou goed, zei ik overmoedig, dan kom ik toch naar jou toe. We spraken halverwege Leiden en Harmelen af, in Woerden.

Vorig jaar belde ik op een avond 'de Stichting' waar mijn vader werkte. In die tijd bracht hij daar wel eens de nacht door. Hij werkte er alleen overdag; waarschijnlijk was het in een periode dat hij weer eens met Gerda had gebroken en wilde ik het telefoonnummer van zijn tijdelijke verblijfplaats achterhalen.

Ik werd te woord gestaan door een medewerkster die nachtdienst had. Ze was allervriendelijkst en we raakten aan de praat. Urenlang duurde ons gesprek, totdat ik nog maar een uur te slapen over had, voordat ik naar mijn werk moest. In het laatste uur van onze telefonade viel mijn bewustzijn zo nu en dan weg, zo moe was ik.

In deze uren wisselden Ineke en ik in het kort onze levensgeschiedenissen uit. Daarna stuurde ik haar zo nu en dan een brief.

Leiden, xiii apr. '94

Van redigeren is vandaag niet veel terecht gekomen; omstreeks etenstijd belde mijn moeder, met de vraag of ik haar jaarverslag voor het huiskamerproject wilde schrijven ('Neen, ik heb zelf al zoveel werk!'); daarna kwam Maus op de koffie, wat ruim een uur duurde; toen ik uiteindelijk aan het werk was en één pagina geredigeerd had, belde mijn moeder weer op om haar 'jaarverslag' voor te lezen. Zo kwam er van werken weinig terecht, maar ik liet me graag afleiden. Morgen is er weer een dag, met nieuwe verstrooiing die me van het werk afhoudt. Ik heb echter uitzicht op een lang weekend: vier dagen!

Mijn avond kenmerkt zich door chaos. Was ik overdag, op mijn werk, alert, behulpzaam en bij de pinken, nu is mijn hoofd leeg en dool ik rond in verwarring. Zo vergaat het me ieder etmaal; er is een haarscherpe lijn te trekken tussen mijn dagen en nachten. Ik ben maanziek; zodra de duisternis intreedt, wordt mijn verstand verdonkeremaand.

Leiden, xvii apr. '94

Langzaam keer ik terug uit het rijk van de doden; doodop en rillerig was ik vandaag, nu drogeer ik mijn lichaam en geest met een fles wijn. Goeie poeier is dat, wijn. Het verdooft de depressie en brengt het rillen tot stilstand. Het laat zich raden dat ik gisteren de fles hard geraakt heb. Min of meer onbedoeld, maar wat zijn voornemens wanneer men zich er niet aan houdt? Een nutteloze verplaatsing van lucht, en een beproeving van het geweten.

Mijn huidige drinkperiode is als omschreven door Trevor (Harry Dean Stanton), sprekend tot zijn vrouw (Nastassja Kinski) achter het spiegelende glas, ('I knew these people'), in de film Paris, Texas: ' ... so he hit the bottle again, but this time it got mean... '

Zaterdag begon zo mooi; boodschappen gedaan, daarna met Maus naar de Hortus, ik om te redigeren en hij om te studeren in de zon. Van werken en studeren kwam niet veel. Kurt Delap, een collega van de Lakenhal, kwam in de Hortus langsgelopen. We hebben zeker anderhalf uur gepraat. Dat was gezellig en zeker geen tijdverspilling. Voor sluitingstijd fietsten Maus en ik naar Meneer Jansen om koffie te drinken. En vanaf dat tijdstip begonnen de zaken te ontsporen.

Een schoolvriend van mij uit Sassenheim, Ron, zat al te bieren op het terras. Niet veel later zaten Maus en ik ook aan het bier. Uiteindelijk zou ik pas de volgende ochtend om half zes mijn huis binnenstrompelen. Tussendoor nog wel gegeten bij een Grieks restaurant. Dat was mijn redding, maar al met al heb ik een verschrikkelijk grote portie alcohol genoten.

De tijd is er weer rijp voor dat ik mijzelf tot de orde roep, anders loopt mijn leven - en daaraan gepaard mijn mentale gesteldheid - in de war. Het drinken is niet langer een vorm van escapisme, maar een doel op zichzelf geworden. Het is niet langer een oplossing voor mijn onbehagen, maar de oorzaak van mijn lichamelijk en geestelijk onbehagen. Het drinken is dus inmiddels overbodig geworden, en daarom moet ik mezelf er toe zetten het aan de kant te schuiven. Weg ermee, met die rommel.

Ron moest zich halverwege de avond op de been helpen met cocaïne. Zijn vriend, een begaafd schilder, dronk whisky en Tia Maria alsof zijn leven ervan afhing en stapte even nonchalant in zijn auto om naar Sassenheim terug te rijden.

Ondanks alles ben ik een drinker met een zekere mate van zelfbehoud. Ik geniet nog teveel van de mooie dingen van het leven. Had ik het schrijven niet, ik zou niet weten wat ik met mijn leven aan moest. Bestond er geen muziek, literatuur, en kunst in het algemeen, ik zou verdrinken in de alledaagsheid.

Leiden, xviii '94

In Bar & Boos zat een meisje op het podium waar Maus al eens van verteld had dat zij gedichten voordroeg. Nu eens niet verlegen ben ik naast haar gaan zitten en vroeg rechtstreeks of mijn informatie klopte, dat zij gedichten schreef. Ja, dat deed ze, en uit haar hoofd zegde zij haar laatste op. Het was mooi, over een harlekijn en de dood. Maar zoals je begrijpt, zo laat op de avond, al zoveel gesprekken achter de rug, lawaai, veel gedronken: inhoudelijk ik weet mij er niet zoveel meer van te herinneren. Na haar voordracht en overmoedig door het late uur liet ik haar mijn 'gedichten' lezen. Mijn verhaaltje over kalender vond ze leuk. Ze vertelde dat zij naast dichten ook schildert en trompet speelt. We wisselden adressen uit, met het oogmerk om in de toekomst elkaars teksten te lezen. Dat is althans mijn oogmerk. Langzamerhand vind ik het tijd worden om mij te omringen met mensen die zich daadwerkelijk met schrijven bezig houden, in plaats van met personen die wel zeggen te schrijven, maar in de praktijk niets produceren.

De volgende ochtend, me met een depressieve kater de nacht tevoren herinnerend, kwam ik op het idee dat zij het plaatje met het deuntje van La Strada wel mooi moest vinden, Gelsomina (Pauvre enfant perdue). Dus heb ik de single opgenomen, en daarna verschillende nummers waarbij blaasinstrumenten aan bod komen. Aan de andere kant van de cassette heb ik Ivor Cutler opgenomen, tenslotte is hij ook dichter. Daarstraks heb ik de cassette, begeleid door een brief, bij haar door de brievenbus geschoven. Zij woont in een kraakpand aan de Morsweg, langs de spoorbaan. Het hele, doodlopende, straatje is gekraakt. Het zag er naargeestig uit, maar aan de andere kant had het ook iets aantrekkelijks. De sfeer leek mij er zeer uitnodigend om te schrijven en om er tegen het geraas van de treinen in te trompetteren. De straat was verduisterd, hier en daar waren er platen hout voor de ramen gespijkerd. Te oordelen naar de stapeltjes houtspaanders op straat, stookten sommige kraakhuishoudens met een kolenkachel hun pandje warm. Het sfeertje deed me een beetje denken aan mijn verblijf in Kreutzberg, Berlijn.

Waar blijft de tijd; waar is mijn avontuurlijke instelling gebleven? Ik leef een castraten leven, zelfgenoegzaam en volgevreten als een 'geholpen' kater.

Leiden, xix apr. '94

Zojuist zijn Roos en Paul naar huis gegaan, een half uur na het vertrek van Jan. Zij waren vanavond te gast, om te eten en nog wat na te drinken.

De eerste werkdag van deze week zit er op, daarbij het gevoel wekkend dat het maandag is. Maar morgen is het al woensdag, een dag later begint de uitgaansmallemolen weer. Ik denk dat ik maar eens een dag oversla en pas vrijdag aan het weekend begin, en zelfs daar ben ik niet zeker van. Ik ben moe, moe van alles; moe van het moe zijn. Het liefst zou ik me een lang weekend in een huis in de bossen terugtrekken. Met PC natuurlijk.

Een voordeel van het moe zijn is dat mijn geest min of meer blanco is, waardoor ik niet teveel aan J. denk. Mijn werk, en het telkens door mensen omringd zijn, voorkomt dat ik in herinneringen wegzak. Zodra ik echter een beetje energie overhoud, neemt ook de onrust toe. Eens moet het er van komen dat ik door mijn gevoel héén ga. Anders kom ik nooit los van de onbestemde emoties die nu sluimeren vlak onder de oppervlakte, maar die bij de geringste aandacht die ik aan ze zou besteden bulderend naar boven komen. De tijd is aangebroken om de medicatie af te bouwen en te ervaren wat er aan emoties aan de oppervlakte komt.

Leiden, xx apr. '94

En het roer kan nog meermalen om...

Een doordeweekse dag, een doorsnee telefoongesprek voeren met Maus, - dacht ik! Hij had geluncht met Tommy, omdat het van eetafspraken maar steeds niet kwam. Tommy opperde zijn plan om een huisje te kopen in Italië. Niet voor het eerst, wist Maus, maar zoals eerder, twee jaar geleden, vorig jaar. Het was Tommy ernst. Maus ook, want hij studeert Italiaans om uiteindelijk als vertaler enkele maanden van het jaar in Italië door te brengen. Tommy dacht bij het kopen van een huis aan twee á drie personen. Wat mij betreft, mag hij daarbij op mij rekenen. Al jaren probeer ik weg te komen uit Nederland, wat me telkens maar voor beperkte tijd lukte. Warrington, Berlijn, Kassel, zomaar een boerderijtje in Portugal, uiteindelijk halfweegs de grens: Utrecht. Niet te verwezenlijken dromen over een eigen optrekje ergens in Azië. Alles was goed, zolang het me maar het vooruitzicht bood om voor een groot gedeelte van het jaar weg te zijn uit Nederland.

Het nieuwste plan, dat ik vanavond aan de telefoon hoorde, is net zo ongrijpbaar als alle vorige; maar het geeft de burger moed. Italië is niet ver, en inmiddels heb ik een vaste baan, met een bijbehorend gegarandeerd inkomen. Niet dat ik ooit getwijfeld heb aan het binnenhalen van voldoende geld, maar de banken, die ik had willen aanspreken voor een lening, wèl.

Groet,

Dieperik