Dieperik - Naar de kelder >> Brieven >> Maus
Leiden, ix jan. '95
Zojuist teruggekeerd van mijn cursus Vietnamees. Fietsend over de glimmende straten, de regen striemend in mijn gezicht, had ik Nederland ingeruild voor ieder willekeurig land. Als er daar maar veel zon en warmte te genieten viel. Maar ja, zoals mijn moeder ons vroeger voorhield: 'Zoete koekjes worden niet gebakken'. Vraag je me nu naar de logica van deze opmerking, ik zou hem niet kunnen duiden. Misschien ook verhaspel ik de opmerking. Het had iets te maken met het aan deze opmerking voorafgaande 'Ik zou liever...' Moest het niet 'Lieve koekjes worden niet gebakken' zijn? De Dikke van Dale staat binnen handbereik, maar ik heb geen zin om tijd te besteden aan het opzoeken. Ik heb vandaag al zoveel tijd verlummeld, het zou zonde zijn om het schrijven nu nog langer uit te stellen.

Vandaag had ik eigenlijk moeten redigeren, voor het eerst sinds 14 december. Maar ja, het gaat net als met het voorbereiden op een tentamen: andere zaken moeten eerst worden verricht, geregeld of afgerond.

Zo had ik vandaag om 09.00 uur een afspraak bij het maatschappelijk werk (om te leren ruzie maken zonder dat dat onherstelbare schade aan je relatie toebrengt). Toch in de buurt deed ik de wekelijkse boodschappen bij de Digros. Met een zware tas aan mijn stuur ging ik op zoek naar een kapper die op maandagochtend geopend was. Niet te vinden. Eenmaal thuis moest er nog wat administratie in orde worden gebracht, bijvoorbeeld nota's van de tand- en huisarts declareren bij de IZA, mijn inschrijving bij de Volksuniversiteit K&O schriftelijk beëindigen om te voorkomen dat ik voor het seizoen 95/96 moet betalen, de garantie van het huwelijkscadeau van mijn moeder en Henk opsturen en dat kan natuurlijk niet zonder een begeleidend briefje. In de tussentijd nam ik nog twee cd's op, want in mijn 'studeerkamer' ben ik op cassettes aangewezen.

Om kort te gaan, het was inmiddels 15.00 uur geworden en ik had nog niets gedaan. Want zo voelt het wanneer ik me heb voorgenomen om te redigeren en het komt er maar niet van. Meer en meer raak ik gefrustreerd in mijn 'schrijverschap', omdat ik inmiddels ben gaan inzien dat het niet valt te combineren met een reguliere baan. Zelfs niet wanneer die baan maar vier dagen van de week opeist. Door te weinig bezig te zijn met schrijven en lezen raak ik mijn taalgevoeligheid kwijt.

Iedere Nederlander met een gemiddeld hoge opleiding kan een aardig stukje schrijven; een schrijver onderscheidt zich van die andere Nederlanders door al zijn tijd te besteden aan taal. Dat kan in alle mogelijke vormen, actief en passief. Door zo met taal bezig te zijn staan al zijn zintuigen open voor de stimulerende en creatieve invloeden. Een muzikant met ambitie kan ook niet effe naast zijn reguliere baan overtuigend spelen. Als hij door een baan wordt gehinderd zal hij na serieus geoefend te hebben best een aardig moppie ten gehore brengen, maar nooit zal hij de sterren van de hemel spelen. Met schrijven is dat niet anders. Het is een verfijnd ambacht, waarbij de grens tussen het amateurisme en professionaliteit op het scherpst van de snede balanceert.

Leiden, xi jan. '95

Niet vaak herlees ik een boek, tot nu toe misschien een of twee stuks. Onlangs kocht ik de laatste twee delen in pocketeditie van de serie Een Verhaal van een Leven van Konstantin Paustovskij. Eerder waren de zes titels bij de Arbeiderspers verschenen in de serie Privé-domein. Prachtige uitgaven waren dat, maar te kostbaar voor mijn budget. Ik stelde de aanschaf van de boeken uit en leende de boeken bij de bibliotheek, - ooit zou ik ze nog kopen, wanneer ik wat ruimer in mijn slappe was zat.

Nog steeds hangt er aan mijn girolijntje nog maar weinig slappe was, maar dat is niet langer een belemmering. De autobiografie is nu in zijn geheel in pocketeditie te koop voor de geringe prijs van ƒ 15,00 per deeltje.

Vanavond begon ik aan het herlezen van deel vijf, De Sprong naar het Zuiden. In feite is mijn enthousiasme over Paustovskij begonnen met het lezen van dit vijfde deel. Ik herinner me nog de ondergestofte rooktafel waarop stapels boeken lagen, in de kamer van Floris. Wij waren toen voor de eerste keer huisgenoten, aan de Hoge Rijndijk. Ik las het achterplat en was meteen nieuwsgierig naar de exotische plaatsen die daarin genoemd werden. Abchasië, Odessa, Batoem, Tiflis. Blijkbaar was mijn enthousiasme evident, want Floris spoorde me aan het boek mee naar mijn kamer te nemen en het te lezen. Niet alleen gaf Floris blijk van een melancholieke Russische inborst door tomeloze drinkgelagen, maar ook door zijn voorliefde voor de Slavische literatuur.

Het was een van de boeken waarvan ik me herinner dat ik het verslonden heb. En na De Sprong naar het Zuiden was ik nog niet verzadigd. Deel na deel las ik in een adem uit en toen De Gouden Roos verscheen, heb ik dat nog dezelfde week gekocht. Ik durf zelfs te beweren dat het bestaan van literatuur pas na het lezen van Paustovskij tot mijn bewustzijn is doorgedrongen.

Mijn zwerven was een uiting van de onrust die mij op een aangename manier opjaagde. Toen ik eenmaal tot het besef kwam dat lezen over verre oorden mijn nieuwsgierigheid ook kon bevredigen, en soms een zelfde kick opleverde als het zelf lijfelijk aanschouwen van het beschrevene, ging er een wereld voor me open. Wanneer ik me daadwerkelijk fysiek verplaatste, deed ik dat vanaf dat moment nog alleen met enkele van tevoren vastgestelde doelen. Het rusteloos zwerven maakte plaats voor gericht reizen. De intense indrukken die ik op reis opdeed vroegen om een schriftelijke ordening, zodat ik mijn geest vrij kon maken voor nieuwe indrukken. Het schrijven (onderweg) komt uit geen andere motivatie voort dan uit eigen behoefte.

Leiden, xiii jan. '95

De vullingen in mijn kiezen kloppen
stilte schuurt over mijn trommelvlies
geen geduld met mijn berusting
nam ik in om te kalmeren
mijn wangen in glimlach geforceerd
stijf en onwillig, zonder veerkracht
drank conserveert mijn vlees
willoos staar ik door het beslagen glas
venster van zelfgekozen gevangenschap
het leven een mortuarium
van onbenutte kansen.


Leiden, xv jan. '95

De auto's ruisen over het asfalt van de Hoge Rijndijk voorbij. Het is te warm voor de tijd van het jaar, maar in mijn studeerkamertje is het ijzig koud. Wanneer ik niet snel achter elkaar door tik koelen mijn vingers zo af dat zij stram worden. Zo nu en dan loop ik naar de keuken om een mok koffie in te schenken; op die momenten maak ik van de gelegenheid gebruik om mijn vingers onder de kraan met warm water weer soepel te wassen.

De lucht is aluminium grijs en het is windstil. Dat was eerder deze week wel anders. Een stevige storm heeft een flink stuk van de kust afgeslagen, maar dat is niet alles. Verward door de ondiepte van de Noordzee en het ruwe weer zijn er drie potvissen bij Duindorp gestrand. Het waren drie aan het zwerven geslagen jonge mannetjes. Om onduidelijke redenen hadden zij het veilige, diepe water van de Atlantische oceaan verlaten en waren naar het noorden getrokken, ruwweg richting Noorwegen. Daarna veranderden zij van koers en zwommen in zuidelijke richting terug. Zij hebben de dodelijke vergissing begaan om bij Engeland links aan te houden in plaats van - terug naar de oceaan - rechts af te slaan.

Donderdagmiddag werd op het radiojournaal voor het eerst melding gemaakt van deze onfortuinlijke stranding. Ik was op mijn werk en belde J. Wij spraken af dat wij na ons werk meteen naar Den Haag zouden afreizen. In geen tijd waren we met de trein in Den Haag, maar de rit met de tram leek eindeloos te duren. Toen we eindelijk in Duindorp aankwamen was het al donker.

Het pad door de duinen weerspiegelde het maanlicht, zodat we eenvoudig het spoor naar het strand konden volgen. Het strand rondom de potvissen baadde in het licht door de schijnwerpers van een enorme kraan. Het bleek dat medewerkers van het Natuur Historisch Museum (Leiden) al druk in de weer waren met hun flensmessen.

Zij hadden lering getrokken uit de ervaringen met de op een Duits eiland aangespoelde potvis van vorig jaar. Door isolatie van de dikke speklaag waren de ingewanden van de potvis, zelf na dagenlang in de gure koude te hebben gelegen, niet afgekoeld. De potvis was inwendig gaan gisten en borrelen zonder dat het gas een natuurlijke uitweg vond. Op een gegeven moment heeft men het dier lek gestoken, omdat ontploffingsgevaar dreigde.

De spekstekers van het museum waren de dag van stranding al begonnen met de ontleding van het grootste exemplaar. Verser bestond niet: 's morgens had men geconstateerd dat de dieren nog in leven waren en besprak men de mogelijkheid om ze vlot te trekken. Maar in de loop van de ochtend stelde men vast dat ze waren gestorven door onherstelbare inwendige verwondingen. Zij waren letterlijk door hun eigen gewicht verpletterd.

Politie te paard probeerde de toegestroomde nieuwsgierigen op een afstand te houden. Maar geen volk heeft minder ontzag voor de sterke arm van de wet dan het Nederlandse. Ook J. en ik stoorden ons niet aan het dwingend verzoek om op afstand te blijven. Wij waren een uur onderweg geweest om een potvis te zien en voelen en zo dicht bij ons doel lieten wij ons niet weerhouden door zo'n snor te paard. Brave huisvaders met hun kleine kinderen aan de hand dachten er net zo over en snauwden de politie af met opmerkingen als 'Ach man, stel je niet aan!'

Het dier dat wij konden bereiken lag net buiten de lichtcirkel van de schijnwerpers, zodat we er maar een beperkt beeld van kregen. Zo nu en dan werd een deel van het dier beschenen door iemand die in de gelegenheid was geweest een zaklantaarn mee te brengen. Toen pas zagen we dat de plas rondom het dier, waar de omstanders onbekommerd doorheen waadden, rood gekleurd was van het bloed. De tanden in de bovenkaak ontbraken; deze waren verwijderd om stropers en souvenirjagers te snel af te zijn. Op de plaatsen waar de tanden moesten zitten, gaapten kruisvormige, donkere wonden.

Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en legde mijn hand op de rug van het dier. Zijn huid was verrassend glad en soepel, met hier en daar ruwe onregelmatigheden in de vorm van handgrote, ondiepe littekens. Onder die huid lag duidelijk voelbaar de onbewegelijke, stugge speklaag.

Leiden, xx jan. '95

Al de hele dag bereid ik me voor om te gaan schrijven. Toch ben ik uiteindelijk pas halverwege de middag achter mijn tekstverwerker gaan zitten. Niet dat ik vanochtend en het begin van de middag heb zitten duimendraaien, integendeel. Ik heb talloze wassen gedraaid en gecentrifugeerd, een paar belangrijke telefoontjes gepleegd, wat administratie weggewerkt en de koelkast - het vriesvak incluis - grondig uitgesopt. In de tussentijd bovendien nog muziek opgenomen; het kerstcadeau dat ik van J. heb gekregen, waar ze gisteren in Amsterdam eindelijk de hand op kon leggen: Radio Inferno, een hoorspel van Andreas Ammer en FM Einheit. Maar er zijn nog andere bekenden die er aan meewerkten: Blixa Bargeld en John Peel bijvoorbeeld. Het is een interpretatie van Dantes Inferno in muziek en geluid.

Ook hier wandelt de verteller door de verschillende cirkels van de hel en doet verslag van wat hij ziet. Met tussenpozen wordt de vertelling onderbroken door een radiojournaal, dat het voorafgaande kort samenvat en de volgende etappe inleidt. Deze cd moet voor een Nederlands publiek bedoeld zijn, want waar anders verstaat men Duits, Engels en Italiaans, dat soms binnen het uitspreken van een zin wordt afgewisseld?

Eén van de zondaars die Dante in de hel tegenkomt is William S. Burroughs, die tot in de eeuwigheid is gedoemd telkens opnieuw zijn eigen boeken te moeten lezen.

Leiden, xxii jan. '95

Na talloze reisbureaus te hebben gebeld en bezocht viel onze keuze op de Chinawinkel in Amsterdam. Zij deden het voordeligste aanbod gekoppeld aan een betrouwbare luchtvaartmaatschappij: Singapore Airlines. Wij vertrekken zaterdag 15 april en komen zondag 16 april aan in Ho Chi Minh (Saigon). Van daar uit reizen wij met het lokale vervoer naar het noorden.

Volgens de informatie die wij tot nu toe hebben ingewonnen is het vervoer per bus niet betrouwbaar. Er zouden maar weinig bussen rijden, waarvan bovendien niet vaststaat dat zij het aanvankelijke reisdoel bereiken. De bussen schijnen nogal eens in the middle of nowhere te stoppen, waarna je maar moet zien hoe je verder komt. Nu weet ik dat de informatie die je van tevoren krijgt aangeleverd niet altijd overeenkomt met de situatie ter plaatse. Over het algemeen is het waarheidsgehalte afhankelijk van de belangen die de informatieverstrekkende instantie heeft.

Zo heeft een reisbureau natuurlijk belangen die niet met die van mij overeenkomen. Het is in hun belang dat J. en ik zoveel mogelijk van tevoren bespreken - overnachtingen, binnenlandse vluchten of treinreizen - zodat zij naast het verkopen van een intercontinentale vlucht ook nog wat commissiegeld opstrijken. Dat kan een reden zijn om onvolledige informatie te verschaffen.

Daarnaast proberen zij ook het verstrekken van informatie te verzilveren door informatiebijeenkomsten te organiseren. Zie hier het tegengesteld belang. Toen wij informeerden naar de praktijk van het wisselen - wèl of geen Travellercheques, of liever contanten in dollars en waar kun je die het beste wisselen - diende men ons van repliek met de opmerking dat zij voor zulke vragen nu juist die informatiebijeenkomsten organiseerde. Zij scheppen een markt door zelf in gebreke te blijven. Allicht moet men zich daarbij afvragen in hoeverre het de taak van het reisbureau is om de reizigers voor te lichten. Was ons verzoek om inlichtingen redelijk?

Dit weekend ben ik weer te weinig actief geweest aan het schrijversfront en zelfs het lezen kostte me moeite. Wat is dat, hoe komt het toch dat ik zo weinig energie heb? De huishoudelijke bezigheden kosten me geen inspanning, daartoe kan ik me nog wel zetten, maar voor al het overige kan ik geen concentratie opbrengen. Want dat is het onmiddellijke gevolg van het gebrek aan energie: een wijdlopige, oppervlakkige interesse, waarbij ik al snel mijn aandacht verlies.

Het redigeren ligt al weken op z'n kont en is er in de tussentijd niet in geslaagd overeind te krabbelen. Het is enorm frustrerend om iets dolgraag te willen, maar er niet toe in staat te zijn. Dat roept gevoelens van machteloosheid en minderwaardigheid op, waarna het verlies van het laatste stukje zelfvertrouwen de toegang tot mijn creativiteit en werklust helemaal blokkeert. Het is een impasse die ik achter me moet laten om er weer uit te raken. Ik moet die gevoelens dus negeren en iedere dag zien als een nieuw begin. Als een nieuwe kans aangrijpen om te doen wat ik wil: werken aan mijn schrijverschap.

Vrijdag heb ik het provinciehuis van Gelderland gebeld om te informeren naar de stand van zaken omtrent de Wedstrijd om de Literaire Prijs van de Provincie Gelderland 1994.

Misschien herinner jij je de opdracht nog: 'Schrijf een literaire brief van minimaal vijf en maximaal tien bladzijden. Deze brief moet zijn gericht aan of geschreven door Moenen, de duivel uit Mariken van Nieumeghen. In dit verhaal biedt Moenen Mariken allerlei aardse geneugten in ruil voor haar ziel. (...) het staat de deelnemer daarbij vrij te kiezen voor de rol van verleider dan wel verlokte.'

Ik noem mijn inzending kortweg 'mijn Moenenverhaal', want het spreekt vanzelf dat ik me de rol van verleider heb aangemeten. Dat ligt meer in de lijn van mijn duistere karakter, dan een verplaatsing in de gedachtewereld van het slachtoffer. Het slachtofferschap ligt mij niet en een wisseling van geslacht spreekt mij al helemaal niet aan. 

Een zekere meneer Kramer verschafte me het telefoonnummer van Meis Thewissen, redactrice van het literaire tijdschrift Parmentier. Dat was precies wat ik weten wilde, want in het reglement van de schrijfwedstrijd werd gewag gemaakt van een themanummer van de Parmentier, waarin enkele inzendingen zouden worden opgenomen. Ik was inmiddels nieuwsgierig naar de verhalen van anderen en wilde weten hoe zij het eraf hadden gebracht.

Zij vertelde dat het themanummer juist bij de drukker lag en niet eerder zou worden verspreid dan na de prijsuitreiking. De genomineerden en winnaar waren weliswaar bekend, maar uitsluitend in de kring van jury en redactie. Ook de genomineerden en de winnaar waren nog niet echt op de hoogte van hun verdiensten. Op mijn vraag 'Niet echt, of echt niet?' gaf zij een ontwijkend antwoord.

Volgende week zouden de uitnodigingen voor de literaire avond en de prijsuitreiking bij de deelnemers in de bus vallen. Ik weet niet wat ik er van moet denken. Zou ik een genomineerde kunnen zijn? Ik vind het, zonder antwoord op die vraag, een beetje zonde van mijn tijd en geld om de reis naar Nijmegen te maken. Een zinloze investering, want wat word ik er beter van?

Leiden, xxiii jan. '95

Het keyboard trilt onder mijn vingers; de benedenburen zijn van mening dat 22.25 uur nog niet te laat is om met een steenboor aan de gang te gaan. J. vroeg mij al om mee naar bed te gaan, maar ik wilde nog wat schrijven. De hamvraag is nu of zij besluit nog wat op te blijven in afwachting van het verstommen van het lawaai dat door de muren dreunt, of dat ik naar beneden word gestuurd om te vragen of de werkzaamheden gestaakt kunnen worden. Of wij het recht hebben om te vragen te stoppen met het produceren van lawaai is een gewetensvraag voor ons. Want dikwijls zijn wij het die de benedenburen teisteren met onze percussie-instrumenten, met het stoeien van E. en mij, met het dansen van J. en E., met MTV van E. en de televisie. Kortom, de benedenburen hebben ons van alles te verwijten, terwijl wij nauwelijks last van hen hebben. Edelmoedig als zij zijn, hebben ze nog nooit een klacht geuit; het is dus aan ons om gelijk lankmoedig te zijn.