| Dieperik - Naar de kelder >> Brieven >> Sabrina |
| Zoutelande, xvii aug. '93 |
| In de zon voor de tent, op de tocht in de windrijkste hoek van Nederland: de provincie Zeeland. Op weg naar dit plaatsje op Walcheren passeerden we de noordelijke eilanden van Zeeland: smalle, nieuw geasfalteerde wegen door een plat en inspiratieloos ingericht landschap. Asfalt, berm, aardappelakkers, maïsvelden en voor de helft boven de klei uit groeiende knolrapen. Over de zuidelijke eilanden slingeren de wegen zich door een uit wisselende hoogten samengesteld landschap: woekerend struikgewas en oude loofbomen tussen ruige weilanden, uitgestrekte moestuinen, staken met te drogen gehangen bonenloof en tot grote hoogte opgestoven duinen. In de badplaatsjes slingeren de toeristen onwennig met een gehuurde fiets door de nauwe straatjes. Hun geparkeerde auto's blokkeren de smalle wegen, zodat het resterende autoverkeer maar druppelsgewijs kan doorstromen. In het verkeer blijft de mens een egoïst, ook nadat hij - tijdelijk - z'n voertuig heeft verwisseld voor een andersoortig middel van transport. Wintelre, xviii aug. '93 Het terras van café-biljart en harmoniezaal "D'n Babbel" wordt overdakt door de takken van een oude walnotenboom. 's Avonds zet de barman tegelijk met de bestelde dranken een flakkerende potkaars op tafel. Vanmiddag vonden we even buiten dit Brabantse dorpje een kampeergelegenheid achter een boerderij. De boer, Wil, praatte aan één stuk; over z'n nog maar net twee maanden opgestarte camping, over het fokken van slachtvarkens en het openbaar vervoer in deze streek. Er rijden nauwelijks bussen, tegenwoordig is het zelfs zo dat de passagier van tevoren moet opbellen dat hij vervoerd wil worden, met vermelding van de tijd en plaats waar hij op wil stappen. In de tijd dat er zo nu en dan wel een bus reed sprak hij eens een meisje dat van de lijndienst gebruik maakte. Meestal was zij de enige passagier en daardoor voelde ze zich een "debieleke" die naar een speciale school gereden werd. Aan de andere kant van het schemerig terras zit een groep meisjes zich giechelend te bedrinken met bessenjenever-cola, terwijl zij herinneringen aan voorgaande dronkenschappen ophalen. Eén van de meisjes vertelt over een feestje bij haar thuis terwijl haar ouders weg waren. Eén van haar vriendinnen had gedurende het feestje verschillende dranken door elkaar gedronken en was misselijk geworden. "In de keuken is zij over haar nek gegaan, de kits zat tot hoog op de keukenkastjes". Leiden, xxiv aug. '93 Het is na middernacht, ik zit achter de PC uit te hijgen na de zojuist geleverde inspanning. J. heeft vanmiddag in Amsterdam een twee- en driezitsbankstel gekocht die omstreeks 22.00 uur vanavond afgeleverd werden; met de hulp van Jan en E. hebben we ze door het trapgat gemanoeuvreerd. Loodzwaar waren die dingen en de manoeuvreerruimte was nihil. Even leek het er op dat de driezits niet door het trapgat zou passen, de eerste poging liep muurvast. Terug naar beneden en daar nogeens de mogelijkheden doorgenomen: J. overwoog de zaak, Ikea, te bellen om te vragen of het mogelijk was de driezits te ruilen voor een tweezits; achterom, via de tuin van Wilma, zou niet gaan vanwege de tere constructie van het balcon-hekwerk; het raam van het kleine kamertje aan de voorzijde bleek, na het opmeten van de binnenmaten van het kozijn en de omvang van de bank, geen mogelijkheid te zijn. We draaiden de bank ondersteboven en waagden nog een poging, met ietwat persen en indeuken schoof de bank langs het stucwerk en balustrade de gang in. Leiden, xxix aug. '93 Ik had verwacht na mijn vakantie wel iets te lezen over het verdere verloop van de afperszaak, waarin Jimmy en jij zijn verwikkeld. Blackmail is overigens chantage; afpersing kan ook, maar wordt minder gebruikt. Houd je me op de hoogte van de recente ontwikkelingen? Het leven, hoe zoet soms ook, kent geen genade; vergeten wijsheid opnieuw geleerd, door die wesp, verdronken in mijn limonade. (Aantekening van een inval op een los velletje papier, nu op de computer ingevoerd zodat ik het niet kwijt kan raken.) Morgen is mijn vakantie ten einde en moet ik mij 's morgens weer naar het museum begeven, op de fiets, door weer en wind en met vooral: een enorme tegenzin. Ik wil niet meer; ik wil thuis blijven om te lezen en schrijven. Ik wil ook wel uit werken gaan, maar dan moet dat werk met taal te maken hebben, een baan op een redactie of iets soortgelijks. Veeleisend ben ik niet: een bureau, een pc, een asbak, voldoende koffie en een bescheiden salaris volstaan. Daarmee zou ik dik tevreden zijn en ik zou het zo jaren kunnen volhouden. Maar nee, ik moet terug naar het museum, om werkervaring op te doen; ik moet leren omgaan met zinloos, niet creatief en onbevredigend werk. Hoe nauwgezet ik de kranten ook uitpluis op zoek naar voor mij passende vacatures, ik vind niets. Wanneer ik denk aan het werk van morgen, word ik overspoeld door een gevoel van machteloosheid en weerzin. Alles in mij verzet zich tegen deze zinloze baan, maar ik moet. Wist ik waarom ik moet, dan zou ik er de zin misschien van inzien, maar er is geen daarom, er is geen zin. Deze werkervaring levert mij geen nieuwe kansen op de arbeidsmarkt op, het biedt geen uitzicht op een kans op zinvol werk - het enige wat dit werk oplevert, is 165 gulden per maand méér dan een bijstandsuitkering. Ik sta aan de zijlijn van mijn leven en zie hoe het zich voltrekt zonder dat ik er invloed op uit kan oefenen; het is een verloren, zinloos leven. Het enige waar ik toe in staat ben, is enkele marginale bezigheden ontplooien om de confronterende zinloosheid een beetje te verzachten. Een beetje schrijven, tekenen en muziek maken, waarmee ik de totale ontreddering tegen ga, maar dat niet de vervulling brengt waar ik zo gedreven naar op zoek ben. Mijn creatieve energie verbruik ik om dit verlangen te sussen, omdat er toch geen zicht is op een bevredigende vervulling van mijn dromen. Morgen fiets ik naar het museum en daar vegeteer ik verder totdat mijn contract ten einde is. |