| Dieperik - Naar de kelder >> Dagboeken >> Dagboek der Ontluistering |
| April '94 |
| Een dag voordat Maus uit Limburg
terugkeerde ontving ik een brief van hem, vergezeld door een
onbeschreven kaart. Vanuit Stein heeft hij een dagtocht naar Bonn
gemaakt, naar een kunstmuseum waar men onder andere schilderijen van
Dali exposeert. De kaart werd nog verkocht na de reeds opgebroken
tentoonstelling over het werk van de (Oost)Duitse fotograaf Jan Saudek. De afbeelding heet Dancers in Paradise, 1985, in de Serie 131 Jan Saudek, Arbeiten 1959 bis 1987. De foto is van een betoverende schoonheid; precies zoals ik de wereld graag op mijn netvlies zie vallen. In okerkleuren, een stoïcijnse uitdrukking op het gezicht van de figuranten, tegen een geschilderd decor van lichte en donkere, uitwaaierende wolken. Binnen de foto een spiegelbeeld van tijd en ruimte. Boven de horizon een ruggelings liggend meisje met een donkerharige man die haar schouders omvattend uit de lucht lijkt te vallen. Onder de horizon een volwassen vrouw, die met haar rechterbeen naar achteren geslagen achter de draperie haakt waar het meisje op ligt. De vrouw wordt door een tweede exemplaar van diezelfde man om de schouders gevat, om te voorkomen dat hij van haar losraakt en zijn val zich voortzet, nu niet met het hoofd, maar met de voeten naar de grond gericht. Door de trotse blik op het gezicht van het meisje schemert verlegenheid. Haar kwetsbaarheid wordt verpletterd door de gespierde man, die zijn linkerschouder op haar borst drukt. Met haar linkerbeen opgetrokken zet zij zich schrap tegen de draperie, terwijl zij met haar rechterarm opgericht, de hand vlak op de rug van de man, voorkomt dat hij achterover slaat. Onbewogen kijkt ze voor zich, haar wipneusje licht opgetrokken en haar spitse kinnetje dapper vooruit. Leiden, iii apr. '94 Een vreemde angst heeft zich in mijn hoofd genesteld, mijn gedachten overdekkend met een waas van onzekerheid. Ik weet niet goed wat ik doen moet; mijn concentratie is vluchtig en er komt niets uit mijn handen. Het liefst zou ik de hele dag buiten zijn, wandelen in een vreemde stad en de omgeving in me opnemen. Maar ik verlaat mijn huis niet, omdat ik niet in mijn eentje doelloos zwerven wil. Zo zit ik mezelf in de weg zonder iets te ondernemen wat mijn situatie veranderen zou. Lezen lukt me niet langer dan een kwartier, voor het bekijken van een film ben ik te rusteloos en zo kan ik het mezelf met niets naar m'n zin maken, - ik niet wat ik wil. Het ontbreekt me aan doelen. Er is niets om naar toe te werken, het leven heeft z'n uitdaging verloren. De enige uitdaging bestaat eruit het leven in zijn volle lengte te overleven. Morgen zal ik mijzelf dwingen de straat op te gaan. Om naar Lisse te fietsen, bijvoorbeeld en daar koffie te drinken bij Mark en Karin of bij Albert. Op de hoek van de Rijnkade staat een brandweerwagen met oranje zwaailicht. Een brandweerman met glimmende helm gebaart met een zaklamp het verkeer uit de richting van de Hoge Rijndijk halt te houden totdat hun tegenliggers de bluswagen voorbij gereden zijn. Waarvoor de brandweer is uitgerukt - een woonboot leegpompen, een brand blussen, een kat uit de boom halen - is van hieruit niet te zien. Zij breken alweer op. De actie heeft hooguit een kwartier geduurd. Dinsdag zal ik de toedracht wel lezen in het Leidsch Dagblad, dat op mijn werk wordt bezorgd. Mijn moeder heeft haar nieuwe vriend aan mij voorgesteld. Het gesprek dat wij voerden was onwennig; ik betrapte mezelf erop dat ik hem aan het uithoren was. Ik testte hem op zijn kennis van muziek en literatuur. Een belachelijke houding natuurlijk, maar waar moest ik het anders over hebben? Hij doorstond de test glansrijk, - naderhand walgde ik van mezelf. Er bewegen zich zoveel nieuwe mensen in mijn omgeving, terwijl ik de vertrouwde mensen uit het oog verloren heb. Dat stemt me triest; het is zo'n concreet voorbeeld van de vergankelijkheid van al mijn streven. Ik zou zo graag eens de rust ervaren van een stabiele intieme omgeving. Een decor van mensen die ik enige jaren ken, met wie ik lief en leed gedeeld heb, waardoor een band van vertrouwen is gesmeed. Daar wil ik door omgeven worden, niet door telkens inwisselbare figuranten. Met hoofdrolspelers wil ik mij omringen, naar wie mijn hart kan uitgaan zonder dat ik reserves moet bewaren, uit angst dat zij na korte of langere tijd weer uit mijn leven zullen verdwijnen. Homo bulla! Naar de buitenwereld toe vertoon ik me met een masker voor. Ze kunnen een gekwelde blik vermoeden, maar mijn woorden zijn zalvend en mijn spreken kalm, waardoor ze zich zonder verdere bedenkingen gerust laten stellen. Dat het in mijn hoofd kolkt en woelt, en dat zich in mij een grote onvrede heeft genesteld, dat vermoedt geen mens. Dat ik met cynisme mijn onzekerheid overschreeuw, dat ik mijn rusteloosheid met een fles wijn per dag tot bedaren breng, dat doorziet geen mens. Ik voed me, douche en scheer me, was mijn kleding, verschijn op tijd op werk, zodat ik een aangepast mens lijk, die middenin de samenleving staat. Maar de waarheid is dat de periferie in mijn ooghoeken opdoemt; de cirkel waarbinnen de zich voor mij waarneembare wereld bevindt, wordt snel kleiner. Een hereniging met J. biedt geen soelaas, zoveel is mij wel duidelijk. Ik moet me een andere zienswijze aanmeten, maar waar en hoe, te beginnen? Een reis maken, met weinig centen op zak, biedt een oplossing op korte termijn. Meer dan een overlevingsstrategie is het niet. Een oplossing voor wanneer het leven mij te grazen dreigt te nemen, door me voor geen andere keuze te stellen dan er een punt achter te zetten. Met het met de noorderzon vertrekken los ik de schuld in die ik aan mezelf ben verplicht: zwerven en een reisverhaal schrijven. Het beslissen over het wèl of niet verwekken van een kind gaat niet anders in zijn werk. Wanneer de verwekkers de voordelen en nadelen rationeel op een rij zetten, slaat de balans zonder aarzeling door naar de negatieve keuze: géén kind. Maar de beslissing bestaat uit meer dan de som der delen; er komen ook emoties aan te pas. Zo zal een paar dat naar een kind verlangt roekelozer met de anticonceptiemiddelen omspringen, waardoor de vrouw uiteindelijk 'onopzettelijk' zwanger raakt. Met mijn geesteskind verloopt dat niet anders. Roekeloos en 'onopzettelijk' manoeuvreer ik me in een positie die géén andere ontsnappingsclausule biedt dan op reis gaan, om het boek te schrijven waarvan ik al jaren spreek. Al het geschrijf aan dagboeken en brieven dat daaraan vooraf ging, vat ik op als oefening èn argument. De pil die het leven zoet maakt, zal ik binnenkort vergeten te slikken, waardoor ik 'onbewust' door reiskoorts bevangen zal worden. Jenny heeft al diverse keren haar vermoeden geuit dat het ambtenaarschap niets voor mij is. 'Dat is niets voor jou, jij bent te veel op avontuur en afwisseling ingesteld!' hield ze me voor. Terwijl zij zelf zweert bij zorg en zekerheid; na een week vakantie heeft ze al heimwee. Ze heeft gelijk. Op het Stadhuis bekruipt me het gevoel dat mijn ballen in een notenkraker zijn gevat. Ieder moment kan de Grote Notekraker voorbij komen om mij te castreren, waarna er geen redding meer mogelijk is. Samen met mijn teelballen wordt dan mijn verzet verbrijzeld. Maar nu nog word ik bevangen door de onrust van het vlees, zodoende ben ik nog ontvankelijk voor het lonkend avontuur. Leiden, iv apr. '94 Zoals ik mij had voorgenomen heb ik met Albert afgesproken. Wij fietsten elkaar tegemoet; de Groene Kerk in Oegstgeest was de plaats van ons rendez-vous. Vervolgens fietsten we naar de duinen bij Katwijk. Ik koesterde nog de hoop dat het droog zou blijven, want aan niets heb ik een grotere hekel, dan aan natte, aan het lijf plakkende, kleding. We zijn echter tot op de laatste vezel natgeregend. Ondanks de aan mijn huid klevende spijkerbroek en mijn paars verkleumde handen heb ik van het uitstapje genoten. Dat zoiets simpels - dagelijks binnen handbereik - zo'n voldoening kan geven! In gezelschap doet men zoiets vanzelfsprekend, maar moet men zichzelf motiveren, dan stuit het voornemen al snel op allerhande wetten en vooral praktische bezwaren. In de loop der jaren heb ik meer en meer moeten onderkennen dat ik niet de eenling ben voor wie ik mijzelf vroeger hield. Ik ben niet de eenling die zonder publiek zijn eigen weg gaat; neen, ik hecht aan stemmen en een gehoor. Leiden, v apr. '94 De ochtendzon projecteert roze licht op de compacte, in trossen voorbij drijvende stapelwolken. Op de achtergrond roept La Pat een zuidelijke sfeer in het leven met haar in het Italiaans gezongen liedjes. Zo maak ik van mijn te vroege ontwaken gebruik, om in alle rust mijn ochtendrituelen te volvoeren. Als relatiegeschenk had Henk twee flessen Franse wijn voor me meegebracht. Een uur tevoren had ik echter al een fles Rioja ontkurkt. Ik vroeg of hij ook Spaanse wijn bliefte; nou, dat lustte hij ook wel. Vervolgens voelde ik me een weinig opgelaten; de enkele wijnglazen die ik bezat, had ik bij J. achtergelaten. 'Vind je het een probleem om de wijn uit een theekop te drinken, Henk?' Nee hoor, dat maakte hem niets uit. Ik dronk mijn wijn, zoals ik dat de laatste week gewoon was, uit een fluitje. 'Is dat nou nodig, in zo'n groot glas?' merkte mijn moeder op, maar Henk schoot me te hulp. 'Nou, ik houd er wel van, zo'n beetje bourgondisch leven!' Mijn drinkgewoonte heeft echter weinig meer met dat provinciaalse Franse leven uit te staan. Dat drinken van mij is niet bourgondisch, maar zuipen zonder veel rekening met mijn omgeving te houden. Misschien is het preciezer dat innemen van mij 'asociaal' te noemen. Zo, het hoge woord is er uit: ik ben anti-sociaal! Daar wil ik best boete voor doen en omwille van de tuchtiging van het vlees een pelgrimstocht maken naar Lourdes. Eenmaal in de zuidelijke contreien wil ik ook nog wel naar Rome doorlopen. Om hoogst persoonlijk mijn excuses bij de paus aan te bieden, voor al dat goddeloze gezuip van mij. 'Vergeef mij!', zal ik hem bidden, 'Dat ik zuip als een tempelier'. Leiden, v apr. '94 Het water voor mijn flat stroomt traag en rimpelloos voorbij. Het zwarte wateroppervlak weerkaatst twee lichtpunten uit de spiegelwereld: de oranje straatverlichting en de lichtreclame van banketbakkerij Van Dam, in de vorm van een reusachtige moorkop met een dikke toef slagroom. Zo weerkaatst het spiegelbeeld van J. op mijn zwarte ziel. Zij ziet er aantrekkelijk uit, maar ze is ongrijpbaar en heeft niets te maken met de wereld aan mijn oppervlakte. Dikwijls is haar beeld door de golfslag van mijn zieleroerselen nauwelijks waarneembaar. Maar in windstille nachten staar ik uren naar de afspiegeling van haar lijf en gezicht. Dan adem ik voorzichtig, bang om haar weerspiegeling te laten rimpelen. Terug van Maus (22.55 uur). Op weg naar huis zag ik de rug van J. voor het kruispunt, wachtend op het groene licht. Leiden, vi apr. '94 Door de verwarring van gisterenavond blokkeerde het schrijven. Het weer zien van J. trof mij als een paukeslag op mijn maag, waarna ik gedesoriënteerd door mijn woning wankelde. Zoals na ieder treffen met haar kon ik mijn gevoelens slechts kernachtig op papier zetten. Schrijvend tussen waken en slapen wijd ik mijn gedachten aan jou daarbij een kaarsje brandend. Het enige lichtpuntje dat jou en mij verbindt maar spoedig doven zal. Jij ging jouw weg ik ging de mijne beiden op weg naar de slaap der eenzamen. Hoe mis ik het lied van jouw ademhaling terwijl jij, je ogen gesloten voor de tred van alle dag de bevrijding met volle teugen inzoog. Nu, alleen en angstig ademen wij kort, 's ochtends blij te ontwaken uit de nachtmerrie van ongedeelde lakens. |