Dieperik - Naar de kelder >> Dagboeken >> Dagboek Indonesië
Bukit Lawang, xviii juni '90
Vanochtend het orang utan reservaat bezocht. De apen komen oorspronkelijk uit dierentuinen en krijgen hier de vrijheid om weer volwaardig bosmens te worden. Zij worden nog wel bijgevoerd in dit reservaat, totdat ze uit zichzelf weg blijven. Dan kan men concluderen dat ze wild zijn geworden of de dood is ingetreden. De aanpassing, leren leven in het wild, duurt twee tot drie jaar. Dit onderscheidt de apen van de mens. Sommige dingen zijn de mens in geen leven af te leren. Zeker gemakzucht niet. Wat dat betreft is de Orang Utan wat spartaanser.

Morgen reizen Jaqueline, Anne en ik verder naar het Tobameer. Daar moet een langdurig feest aan de gang zijn, van de vijf Batak stammen gezamelijk. Een gebeuren dat eergisteren begon en tot 1 juli zal duren. Ik ben van plan er niet te lang te blijven hangen. Erg toeristisch naar ik verwacht; we komen nu al regelmatig 'bekenden' tegen en we zijn nog maar net op pad. Mensen die we uren reizen van hier al eerder tegenkwamen.

Dat reizen hier, per bus of minibus, is zeer spectaculair. Ik heb al buiten de bus gehangen gereden, onder het rijden op het dak geklommen, op het dak gezeten tussen de inlandse jongens en de bagage. Mooi hoor, zon, wind door de stekels, links en rechts dadelplantages, dan weer rubberbomen.

De avond is ingevallen en het regent. Af en toe maakt God foto's, - hij zal ook wel op vacantie zijn. De flitsen kleuren de hemel niet halogeen wit, maar Noordzee kwallen paars. Een kreteksigaretje opgestoken. Een kruidig sigaretje, zoet van geur en zeker ook van smaak. De suiker lijkt na een haal je mond binnen te stromen. Een minuut of tien na het roken van zo'n sigaret smaken je lippen nog steeds zoet. Na het inhaleren lijkt het ook wat op een mentholsigaret. Zo'n licht, koel gevoel, waardoor je het gevoel krijgt dat roken goed voor een mens is. Wat ik vroeger al dacht, en nu tenstelligste durf te beweren; kreteksigaretten smaken alleen in de tropen. En dan nog na kruidig tafelen, of na of bij zo'n vieze bak koffie. Wat Max Havelaar hier deed, weet ik niet, maar Indonesische koffie is niet te drinken. Turkse of Griekse koffie is ook vol prut, maar die smaakt tenminste nog. Daar staat tegen over dat ze hier overal lekkere teh, thee, serveren. Zonder suiker gratis.

De laatste wiskey in het glas geschonken. De muziek valt stil, maar de regen gaat onverminderd door. Ik hoop niet dat het hier voor vanavond afgelopen is, want ik moet nog een heel eind lopen naar mijn bugalow. Ik houd het liever droog, want kleding die niet binnen een aantal uren droogt, gaat schimmelig stinken.

Pangururan, xx juni '90

Ik heb de hele dag met reizen doorgebracht. Een hele dag reizen hoeft op Sumatra niet automatisch te betekenen dat je ook maar iets vooruit komt. Vandaag vertrokken uit Prapat. Misschien spel je de naam van dat stadje anders, maar ik kan het niet nagaan op een landkaart, want ik heb er geen. Stom. Ik dacht er hier in Indonesië een te kopen; goedkoper en beter een kaart kopen in het land of de streek zelf, dan aan de andere kant van de wereld. Te weten in Nederland. Dat bleek een verkeerde manier van denken. Hier kun je onze manier van logisch denken niet toepassen.

Van Prapat de ferry genomen naar Samosir eiland, in het Tobameer. Aangekomen ging ons reisgezelschap, Jaqueline, Anne en ik, uit elkaar. Dat had Jaqueline me 's morgens voor het ontbijt al verteld, maar eenmaal op haar bestemming aangekomen zette ze er druk achter. Op een manier die verre van ontspannen was. Wat een trut die Jaqueline. Maar het geeft niet, in m'n eentje zie ik meer en kom ik op autochtonere plaatsen. Een beetje afzien is er niet bij. Na een reisje van acht uur taxi, trein, bus, zijn ze al gaar en chagrijnig. Onvoorstelbaar. Ik was overigens zelf ook al van plan om in m'n eentje door te reizen en ik vond het jammer dat ik niet de eerste was die het naar voren bracht.

Een dagtrip vanuit Wisma Sibayak, Berastagi, voerde naar een traditionele Batak bruiloft. Mannen aan de ene kant van de overdekte gemeenschapsplaats, de vrouwen aan de andere kant. Per familie in vakken ingedeeld aangegeven door bordjes; Kalimubu, Undangan, Anakberu, Runggungereja. Bij deze laatste familie zaten wij, de toeristen. Mannen en vrouwen door elkaar. Het was een Karo-Batak huwelijk, de echtlieden door hun familie voor elkaar uitgezocht. De plechtigheid werd door mannelijke familieleden op video vast gelegd. Mannen en vrouwen gaven ieder op hun beurt het jonge paar adviezen voor een goed huwelijk, door deze luid in een microfoon in te spreken. Luid maar monotoon, het zal wel een saai huwelijk worden. Tenzij ze alsnog verliefd op elkaar worden - wie zal het zeggen.

Sibolga, xxi juni '90

Een dag reizen achter de rug, van 8.45 uur tot 17.00 uur. In gamele busjes. Niet overdreven, dat woord gammel. Ajax-supporters laten na een Ajax nederlaag een treintoestel of bus in betere staat achter. In deze busjes word je op elkaar gepropt. De mensen in de bus zitten nog dichter op elkaar dan sardientjes in een blik tomatensaus. Vijfentwintig mensen in een bus die meer dan de helft kleiner is dan een openbaarvervoer bus in Nederland. Het reizen in deze bussen is de langzame variant van radbraken. Mijn voorkeur gaat toch uit naar deze overvolle bussen. Dat betekent namelijk dat je op het dak van de bus mag klimmen en een plaatsje kunt zoeken tussen de bagage en de branieschoppers. Wanneer je denkt dat Turkse of Arabische jongemannen erg klef zijn ten opzichte van elkaar vergis je je. Hier gaat het aanraken van elkaar nog vanzelfsprekender. Terwijl ik op het dak zat, legde een jongen z'n hoofd op m'n schoot en viel, met m'n been als hoofdkussen, in slaap. Vrouwen zijn qua fysiekcontact wat afstandelijker, al valt dat nog reuze mee voor een land waarvan het grootste gedeelte van de bevolking islamiet is.

Vrouwen zowel als mannen vinden het reuze interessant om te weten of je getrouwd bent. Wanneer je ontkennend antwoord, veroorzaakt dat grote hilariteit. Zeker op mijn leeftijd had ik al getrouwd moeten zijn en minstens vier kinderen hebben verwekt. Ik kan het me verbeelden, maar wanneer meisjes vernemen dat ik ongehuwd ben, bekijken ze me plotseling met een heel andere oogopslag. Wat zwoeler, maar tevens afstandelijker.

Bij het inschrijven vanavond, in mijn hotel, zaten er onmiddelijk een man of zes rondom me. De gebruikelijke vragen werden gesteld; waar kom je vandaan? - oh, Gullit. Hoe heet je, waar ga je naar toe, waar kom je vandaan, ben je getrouwd? Toen ik 'nee!' antwoordde, werd er eerst veelbetekenend gelachen, vervolgens werd er naar meisjes gewezen, die aan een tafel even verderop zaten. Daarna maakte de man rechts van mij een veelbetekenend handgebaar onder het tafelblad. Ben ik in een hoerenhotel beland? Al voor de tweede keer? Niet zo openlijk hoor. Ik weet niet eens zeker of het wel zo is, of dat er weer grapjes met me worden uitgehaald. Om een reactie uit te lokken en me daarna uit te lachen.

Er worden vaak grappen gemaakt. Vooral wanneer men weet dat ik een beetje Indonesisch versta. Dat ik het een beetje versta, maar niet helemaal, vinden ze nu juist zo leuk. Halverwege een verhaal waarover ze begonnen te vertellen en dat ik over het algemeen ten dele begrijp, laten ze me plotseling zwemmen in onbegrip. Ze beginnen snel te ratelen en houden er geen rekening meer mee dat ik maar een beperkte woordenschat tot m'n beschikking heb. Opzettelijk. Op die momenten ligt de halve bus dubbel. Want buitenlanders in hun bus of vertrouwde omgeving worden scherp in de gaten gehouden. Ze zijn een bron van vermaak. Over het algemeen vriendelijk; niet honderd procent uitgelachen, maar voor een bemoedigende dosis ook toegelachen.

De slapheid heeft zich naar m'n benen verplaatst. Van de schrik misschien? Het is bijna 22.00 uur en ik heb nog steeds niets gegeten. Doe ik ook niet. De schrik werd me toe gediend door een bijna ongeluk met een becak. Niet de schuld van de becakrijder, Hardi, maar van mij. Halverwege bood ik aan van het af te leggen traject, van het centrum van Sibolga naar mijn hotel, de laatste helft te fietsen. Hij in het passagiersgedeelte. Het toestel had een afwijking naar rechts en bovendien gingen we heuvelafwaarts. De remmen deden het ook niet, bleek een paar minuten later. Het scheelde niet veel of we waren omgeslagen in het openriool langs de kant van de weg. Rondom ons stonden de mensen ons bemoedigend toe te lachen, een enkeling schudde met het hoofd. Ik stapte af met trillende benen; door de inspanning van het steppend afremmen en nog verhevigd door de schrik. Weinig reden tot lachen, maar een opsteker voor de becakrijder; zo vanzelfsprekend als het besturen van een fietstaxi lijkt, is het niet.

Het is in Indonesië moeilijk om een tijdje alleen door te brengen. Waar ik ook plaats neemt, er komt altijd wel iemand bij me zitten om vervolgens een gesprekje met me aan te knopen. Of ik nu aan het schrijven ben of niet, of zij nu Engels spreken of niet. Over het algemeen draait het al snel uit op handel, maar vaak ook is het pure nieuwsgierigheid. Best aardig, maar na op een dag vaker dan honderd keer verteld te hebben waar ik vandaan kom, wordt het wat vervelend. Daarna wil ik rust. Maar waar kan ik dat vinden? In de hotelkamers tref ik nooit tafels aan, dus waar moet ik schrijven? Uitgerekend in een vertrek met tafels én mensen, zodat ik tijdens het schrijven tientallen keren gestoord word.

Na een avondje uit in het centrum van Sibolga ben ik weer terug in m'n hotel. 22.45 uur. Voor Indonesische begrippen is het al laat. De bedrijfleidster, een wat oudere, brede dame, eet nog wat. Ze lijkt wel een madame. Aan haar tafel zitten twee jongere vrouwen, overdreven uitbundig gekleed.

Morgenavond vertrek ik om 20.00 uur naar het eiland Nias. De oversteek duurt tien uur. Om me te verontrusten vertelde Hardi me dat het speciaal in de maanden juni, juli en augustus bijzonder gevaarlijk is om naar Nias te varen. Hij vertelde dat er zelfs schepen waren die onderweg besloten terug te keren nadat zij in moeilijkheden waren geraakt. Bemoedigend, bemoedigend. Al deze moeite en risico voor mooie stranden.