| Dieperik - Naar de kelder >> Dagboeken >> Dagboek Indonesië |
| Ampenan, xxiii juli '90 |
| Vanmiddag heb ik een scheermes
gekocht. M'n gebruikelijke plastic wegwerpmesjes kon ik niet vinden en
met tegenzin kocht ik een ouderwetse herlader. De houder zat in een
kartonnen doosje met een klein spiegeltje in het deksel geplakt. Twee in
een papiertje gevouwen mesjes kleefden met wapenolie op elkaar. De
rechthoekige mesjes grijnsden om mijn verleden en m'n polsen voelden
akelig kwetsbaar. Liever scheer ik mij met veilig dichtgeklonken
wegwerpmesjes. Nu had ik echter geen keuze: een baard van anderhalve
week weerhield het bruinen van m'n gezicht. Ampenan is een rustige stad en vormt samen met Mataram en Cakranegara het centrum van Lombok. De steden zijn voor een buitenstaander nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Naadloos lopen ze in elkaar over. Ik heb zin in de stedelijke atmosfeer, wil bestoven worden met het door de verkeersstroom opgeworpen stof, omspoeld door mensen op de overvolle trottoirs en me onderdompelen in de nasale klanken uit de luidsprekers op de moskeeën. Voel ik me, twee weken voor vertrek, eindelijk een beetje thuis? Hotel Zahin verkocht tweedehands boeken die door de gasten in hun hotelkamers waren achtergelaten. Er was me verteld dat er ook Nederlandstalige boeken te vinden waren. Hoopvol doorzocht ik de kleine stapeltjes op de balie en vond drie boeken. Het beste, Naar het hart van Borneo van Redmond 'o Hanlon, had ik al gelezen en de twee andere waren Bouquetreeks deeltjes. Teleurgesteld bladerde ik de dunne boekjes door en bleef na enkele zinnen steken. Ondanks m'n letterhonger. Niet alleen was het verhaal zwak, zoals bekend, maar het was bovendien in slecht klinkend Nederlands geschreven. De zinnen liepen mank, bewogen zich stijf en houterig voort. Geen geurig bosje bloemen, maar een bundel brandhout. De verhalen waren uit onsamenhangende zinnen opgebouwd, een wankel bouwsel zonder specie tussen de voegen. Ik stel me voor dat de uitgever enkele schrijvers in dienst heeft die hun dagen vullen met het schrijven van op zichzelf staande zinnen. Deze zinnen worden in een computer gevoerd en daarna keer op keer, in een willekeurige volgorde elkaar afwisselend, uitgeprint. De uitgever geeft, na de toevoeging van een boektitel en een fictieve auteursnaam, deze schijnbaar authentieke boekjes uit. Zo ontstaan de deeltjes, zo vormt zich een reeks. De jongen achter de balie las de teleurstelling op mijn gezicht en raadde me aan een vriend van hem op te zoeken die zeker vijftig boeken te koop had staan. Niet allemaal Nederlandstalig, zei hij, maar de kans op literatuur was groter. De jongen gaf me zijn adres, tegenover het Beach Hotel in Sengigi, zo'n tien kilometer verderop. Sengigi is een toeristen-nederzetting aan de kust. Het Beach Hotel ligt met nog een aantal andere hotels direkt aan het strand. Naast hotels bestaat de nederzetting uit dure restaurants, kroegen en souvenierwinkeltjes. Het is een plaats voor de meer draagkrachtige toerist, die er geen bezwaar tegen heeft dat hem het geld met grote snelheid uit de zakken wordt geklopt. De tourist die naar de andere kant van de wereld vliegt om zich op honderd vierkante meter bruin te laten bakken en die in de souvenierwinkel aan de cultuur van het land snuffelt. Dagelijks maakt hij in zijn surfwear de gang van het strand naar de kroeg, daarna naar het restaurant en vervolgens weer terug naar de kroeg. Het bruinst is zijn buik, die tussen het kleurige broekje en zijn T-shirt uitsteekt. Ondanks m'n toeristenvisum ben ik, in m'n doorgesleten spijkerbroek en kaki overhemd, een buitenstaander. Ik ging op reis met een gloednieuwe spijkerbroek maar door het wassen met de sabun biru is m'n broek na anderhalve maand tot op de draad versleten. De spijkerstof blijkt niet opgewassen te zijn tegen het bleek- en schuurmiddel in de kobaltblauwe zeep. Terwijl ik schrijf, zoek ik met m'n tweede gedachtenlijn naar een onderwerp waarover ik me kan opwinden. Het laat zich ook lezen als; terwijl ik naar inspiratie. Wanneer ik drink, komt er altijd wel iets in m'n gedachten boven drijven. Het drinken is als een lepeltje in een kop koffie-tubruk, zolang ik blijf roeren komt er voortdurend iets aan de oppervlakte. Onder invloed van alcohol gaat mijn associatie-vermogen een eigen leven leiden, verbittering wordt als hete lava opgestuwd en laat zich nauwelijks in inkt-banen dwingen. In een gemoedstoestand tussen nuchterheid en dronkenschap ben ik op m'n best, rap van tong en de ondraaglijkheid van het leven lijkt me even minder gewichtig. Maar, terwijl de alcohol voor mijn geest een smeermiddel is, loopt m'n lever erdoor vast. Ik moet het innemen doseren, als recept dat alleen mag worden ingenomen in uiterste gevallen, omdat de bijwerkingen er niet om liegen: verlies van het korte termijn geheugen, verharding van de lever en een vervaging van de normen. Even had ik het vanavond te kwaad, wilde ik het op een zuipen zetten. Vlak na zonsondergang, nadat gebleken was dat er niets te lezen viel, voelde ik me ingesloten. Ik werd onrustig en kreeg het benauwd. Niets te doen: geen boek, geen televisie, geen bioscoop, geen theater. Ik werd overvallen door hetzelfde gevoel als de keren dat ik overwoog om terug te verhuizen naar Sassenheim. Het idee, dat het onmogelijkheid was om 's avonds iets te ondernemen, uit te gaan, om het simpele feit dat er niets was, snoerde me de keel. In Leiden is van alles te doen, maar gerustgesteld door het grote aanbod van mogelijkheden maak ik er geen gebruik van. De kroegen ken ik op m'n duimpje, maar de bioscoop en het theater bezoek ik hooguit twee keer per jaar. Het idee dat er altijd wel iets te doen valt, kalmeert me. Zonder dat ik me verplicht voel aan de culturele ratrace te moeten deelnemen. Hotel Zahir ligt aan jalan Koperasi, een vreemde straatnaam in een land waar de regering een extreme afkeer heeft van alles wat naar communisme riekt. Terug in het hotel drink ik m'n eerste slok bier van vandaag. De smaak valt me tegen: zuurbitter. Op het eiland Gili Air dronk ik brem, Balische rijstwijn. De wijn smaakt naast rijst en gist voornamelijk naar suiker. Tijdens m'n verblijf in Indonesië ben ik langzaam maar zeker aan grote hoeveelheden suiker gewend en er uiteindelijk verslaafd aan geraakt. In het begin verafschuwde ik alles dat zoet smaakte, nu verlang ik op z'n tijd naar zoet. In de voormiddag verzwak ik, ben ik trillerig en onzeker - dat gevoel verdwijnt niet eerder dan nadat ik een flesje cola heb gedronken. In Nederland drink ik nooit frisdrank, juist omdat het zo zoet is. Ik heb veel Indonesiërs met een slecht gebit gezien. Van sommigen was het gebit zelfs vergroeid. Het meest afzichtelijk waren de monden met rotte tanden van mensen die op siri-pruimen kauwden. Zwarte stompjes die werden omspoeld door roodbruin slijm. De verbrokkelde tanden leken op de scheurgebitten van prehistorische dieren, terwijl de lippen me vriendelijk toelachten. Vanmiddag keek ik in een souvenierwinkel rond toen er een man in een zwartleren jack binnenkwam. Hij zette een canvas tas op de toonbank en haalde er voorzichtig twee in krantengewikkelde voorwerpen uit. Nieuwsgierig nam de eigenaar van de winkel de pakjes aan en wikkelde er het papier af. Uit de kranten kwamen een bruine en een witte schedel. De schedels waren overdekt met uitgesneden abstracte figuren. Ik vroeg hen of het mensenschedels waren. De mannen grijnsden, nee, het waren orang utans. De gegraveerde figuren op de schedels deden de orang-oetans er postmortem woester uitzien dan dat ze er in leven hadden uitgezien. Door de bomen sloom en behoedzaam voortbewegend, op de toonbank woest en krijgslustig. De schedels moesten worden verkocht aan toeristen, vertelde de man in het leren jack. Ik legde hem uit dat de toerist, die zo stom zou zijn om een schedel van een beschermde diersoort mee naar huis te nemen, beslist op moeilijkheden met de douane kon rekenen. De man schudde zijn hoofd. Ik vroeg de eigenaar van de winkel waar de schedels oorspronkelijk voor bedoeld waren. Hij pakte de witte schedel op en hield hem voor zijn borst. 'Neckles,' zei hij en maakte disco-dansbewegingen. |