Dieperik - Naar de kelder >> Dagboeken >> Dagboek Pavor Nocturnus
Leiden, ii nov. '92
Vandaag is Danny in dienst van het Vaderland getreden. Hij krijgt dienstkleding uitgereikt om zich te beschermen tegen de verschrikkelijkste weersomstandigheden, en ook tegen gas en nucleaire aanvallen. Maar wat moet hem behoeden voor de afstompende stompzinnigheid van het soldatenbestaan?

Leiden, ix nov. '92

Het afgelopen weekend heb ik doorgebracht achter een glazen wand; ik was snipverkouden. Mijn voorhoofdsholte was met taai snot dichtgeslibd, mijn ogen dreven in troebele vijvers en mijn stem weerkaatste in mijn neus.

Nog ben ik niet helemaal aan de verkoudheid ontkomen, maar het contact met de buitenwereld komt langzaam weer op gang. Es geht mir jedem Tag immer besser...

Ik heb de dag versuft. Niets anders heb ik gedaan dan koffie drinken bij Maus, boodschappen doen met J., mijn achterstallige administratie regelen en daarna weer koffie drinken met Maus, die nu bij mij langskwam. Zo komt een dag wel om. Ik troost mezelf met de gedachte, dat de suffigheid de nasleep van mijn verkoudheid is.

Ik ben begonnen met de mijzelf voorgenomen cyclus van anti-gedichten. Een opsomming van redenen waarom ik niet van poëzie houd, gegoten in de vorm van een gedicht. In de visuele vorm daarvan: korte, afgebroken zinnen en verandering van de natuurlijke zinsconstructie, zodat de lezer bij eerste oogopslag het idee krijgt, dat hij met een gedicht van doen heeft. 

Antigedicht I

Een hekel heb ik, aan poëzie,
dat gewauwel over jaargetijden
en de flora en fauna van een middenberm,
of over de natuur in de tuinen van Staatsbosbeheer:
wandel niet buiten de aangegeven paden!

Natuurlijk begrijp ik er niets van!
zullen dichters mij vertellen.
Ze hebben gelijk:
geen snars, snap ik ervan.

Verdicht in woorden,
proberen zij de essentie van hun gevoelens te vatten,
deze verknoeiers van Nederlandse taal.

Verhuld in onbegrijpelijke zinnen,
schrijven deze huis-, tuin- en keukendichters
hun mierenoverdenkingen neer.

Poëzie vormt zo de vergaarbak
van onkunde en flauw gezeur;
door prutsers en niet ter zake doende romanciers,
voor lezers die gecomponeerde woorden verwarren met poëzie
en beschikken over een mierenhart.


Het idee om antigedichten te schrijven kwam spontaan in mij op toen ik stond te kokhalzen bij het lezen van enkele gedichten, die ingelijst hingen uitgestald aan de muren van de Centrale Bibliotheek Leiden. De teksten waren opgeblazen, zodat die zelfs voor slechtzienden op een afstand te lezen waren. De grootte van de letters moest de nietigheid van de inhoud overschreeuwen.

En zo wordt het oog telkens getroffen door onzinnige rijmelarijen: in de bibliotheek, maar ook in de huis aan huis bladen, of zelfs in literaire tijdschriften. De gedichtjes getuigen slechts van huisvlijt, niets meer - het zo nodig bezig moeten zijn, om de diepste gevoelens weer te geven - waarbij de teksten zo knullig en voorspelbaar in elkaar steken, dat zij een belediging van het gezonde verstand zijn.

Niet de schellen vallen me telkens weer van de ogen, - nee, ik vrees dat mijn netvlies loslaat.

Toen ik als redacteur bij het Leids Nieuwsblad werkzaam was, kreeg ik een gedichtje toegestuurd, dat handelde over het zoveeljarig bestaan van het Elisabeth ziekenhuis in Leiderdorp. Het handschrift en de tekst deed vermoeden dat het rijmpje door een kind geschreven was. Ik informeerde bij mijn collega's of zij op de hoogte waren van de één of andere gedichtjeswedstrijd ter gelegenheid van het zoveeljarige bestaan van het ziekenhuis. Zij wisten van niets.

Een week later ontving ik een telefoontje van een wat oudere mevrouw, die mij vroeg waarom haar gedichtje niet in de krant was verschenen. Ik wilde haar niet teveel verdriet doen en vertelde dat het gedichtje niet werd geplaatst, omdat het minder geschikt bleek voor de krant.

Hierop ontving ik enkele dagen later een brief, met opnieuw ingesloten het handgeschreven rijmpje en bovendien een briefje van vijfentwintig gulden. Ik heb de wanhopige dichteres de vijfentwintig gulden teruggestuurd en in een begeleidend briefje geschreven dat zij het geld beter op kon sturen naar het ziekenhuis of overmaken naar een goed doel en dat het gedichtje nog steeds ongeschikt was voor mijn krant.

Wist ik veel! Ik dacht dat ik enig niveau kon bewerkstelligen bij het huis-aan-huis krantje, maar later bleek dat vergeefse moeite. Niet de schrijvers van manke kopij werden weggesaneerd, maar ik.

Leiden, xiii nov. '92

Vannacht heb ik een vreemde, indringende droom gehad. Voor een deel speelde het verhaal zich in Rusland af. Er werd me een vraag gesteld of ik deed een stellige bewering. Het draaide erop uit dat ik op een gegeven moment antwoordde 'Pravda!' - in de betekenis van: 'ja, jazeker; het is de waarheid!' Dit antwoord werd begrepen.

De tweede droomscene speelde zich binnenshuis af, maar soms ook zweefde ik in vogelvlucht boven het huis.

Ik kwam aan in een leeg, donker huis. Het was avond, de openhaard brandde en er hing een zware sfeer, van zoetgeurende, gedroogde rozen en wijnrode veloursgordijnen. Dat de bewoners het huis even daarvoor hadden verlaten was bijna stoffelijk voelbaar. Ik ging naar de eerste verdieping en lag op het volgende moment in bed. Met een behaaglijk gevoel gaf ik me over aan de slaap.

De volgende ochtend liep ik de trap af en overzag de huiskamer. Deze was tot een chaos omgetoverd. De ravage bestond uit omver gelopen stoelen en een ovale salontafel, her en der verspreide wijnflessen met bodempjes rode wijn, volle asbakken en sinaasappelschillen. De koelkast stond open, van de terzijde geschoven en dooreen gewoelde inhoud steeg een koele nevel op, dat oplichtte door een geel koelkastlampje.

Het beeld verschoof naar vogelvluchtperspectief.

Aan de overzijde van de straat was J. bezig met het huishouden, in het huis dat zij deelde met Jan en de kinderen. Zij nam de tegeltjes in de keuken af met een sponsje en een sopje.

Ik keerde weer terug naar het verlaten huis. Toen realiseerde ik mij dat mijn vader 's nachts moest zijn thuisgekomen, om zich vervolgens aan drank te buiten te gaan. Ik schaamde me. Ik realiseerde me plotseling ook dat hij boven nog lag te slapen, - ik hoorde hem als het ware ronken. Ik wist dat hij nu zwaarder was dan normaal. Het vele drinken en het luxueuze schransen had zich in vet omgezet. Hij was niet kogelrond, maar gelijkmatig verdeeld zwaar.

Ik ben teruggekeerd van een reis. Ben ik teruggekeerd van een reis? - naar Rusland? Heb ik J. verloren aan Jan?

Ik voelde dat ik daar geen vrees voor had. Het was meer de afstand - die ik tussen J. en mij voelde - die me zorgen baarde. Het leek er op dat ik buiten haar wereldje werd gehouden. Ik voelde me niet welkom. Was ik niet welkom?

Ik keek naar haar, hield haar in de gaten, maar zij zag niet naar mij om. Had zij geen oog voor mij? Interesseerde ik haar niet? - zij was druk bezig met het zorgen voor Jan en hun kinderen, bezig met het afnemen van de tegels, verwoed, alsof zij smetvrees had.

Ging ik op reis? De volgorde waarin de beelden zich in mijn droom afspeelden was niet duidelijk. Het stond niet vast of ik van een reis terugkwam, of dat ik op het punt stond te vertrekken.

Pravda, waarheid, was het sleutelwoord: maar in welk slotwoord moet dat gestoken worden?