| Dieperik - Naar de kelder >> Kelder >> Zeejaren |
| Aan de wal |
| De avond na mijn terugkeer kwam het
hele gezin bij elkaar om de pakjes die ik had meegebracht uit te pakken.
Mijn broertje rende door het huis met zijn imitatie pistolen en mijn
zusters haastten zich naar hun kamer om hun Amerikaanse nylons en
badpakken voor de passpiegel uit te proberen. Watertandend nam vader
zijn fles jenever in ontvangst en moeder ruimde haar mooie kastje uit om
plaats te maken voor het Chinese servies. Na de koffie ging moeder naar
boven om mijn slaapplaats in gereedheid te brengen. In de loop van de eerste week nam ik weer het koken van moeder over. Van mijn eigen geld deed ik boodschappen en zo leerde ik hen nasi en bami eten. Iedereen at er met smaak van, alleen vader mopperde. Net als de macaroni vond hij het maar een voorafje, dat zijn honger niet kon stillen. Daar kon hij niet op werken, zei hij. 's Morgens nam hij voldoende brood mee naar werk, maar het beleg was mager. Meestal werden zijn boterhammen met suiker of speculaasjes belegd. Alleen als moeder's portemonnee het toestond kreeg hij een beetje kaas of een dun plakje bloedworst op zijn brood mee. Na mijn exotische experimenten ging ik weer over op de normale kost: aardappelen en bloemkool. Ik ging bij de slager langs en vroeg om tien karbonades. Gewoonte getrouw vroeg hij of die uit een kilo gesneden moesten worden. Ik schudde mijn hoofd en zei dat ze flink dik mochten uitvallen. Dat liet de slager zich geen twee keer zeggen en met een flink pakket vlees onder mijn arm wandelde ik naar huis. 's avonds schepte moeder mij de dikste karbonade op, wat vader in het verkeerde keelgat schoot. De rest van de avond zat hij in zijn stoel zwijgend voor zich uit te staren. Aan het eind van de week ontving ik post van de Rotterdamse Lloyd met de mededeling dat mijn restgage en verlofdagen waren uitgerekend. Binnen afzienbare tijd kon ik een postwissel verwachten ter waarde van achttienhonderd gulden. Dat bedrag stond gelijk aan de gage van zes maanden. Naast dit bericht ontving ik een getuigschrift voor de door mij bewezen diensten. Nadat ik de postwissel ontvangen en verzilverd had, nam ik mijn jonge zusters mee uit om kleding te kopen. Met de spijkerbroeken en houthakkershemden die ik uit Amerika had meegebracht kon ik in Leiden de straat niet op. Door de verkoper van Penseel liet ik mij geheel in het nieuw steken. Daarna gingen wij naar Biesot om chocolademelk te drinken en gebakjes te eten. Mijn zusters keken hun ogen uit, want zij hadden nog nooit in zo'n chique zaak bezocht. De volgende dag trok ik er op uit om een brommer te kopen. Met een glimmende Sparta met drie versnellingen stapte ik de zaak uit. Ik had nog maar net een paar meter gereden toen ik tegen een stoep opbotste. Met een verbogen voorvork en gekrenkte gevoelens zette ik het ritje naar huis voort. Het leed was snel geleden toen ik merkte dat ik ieder meisje uit de buurt achterop mijn brommer kon krijgen. Zonder het te beseffen had ik een prima versiertruc op de kop getikt. Het leven aan de wal maakte me onrustig en steeds vaker zocht ik het mannengezelschap in de kroeg op. Kapaan, de manke kastelein van het café aan de Maredijk, ontving mij met open armen. Zo nu en dan stond zijn verlegen dochter achter de toog, die zo haar vader een handje hielp. Zij was niet knap, maar haar vriendelijkheid wist dat met succes te verhullen. Op doordeweekse middagen werd het café bezocht door oude mannen die klaverjas speelden. Er werd verwoed om borrels gespeeld en zij leerden mij het klappen van de zweep kennen. Uiteindelijk werd ik zo bedreven in het spel, dat ik wel eens opzettelijk verzaakte om een rondje te kunnen geven. Die mannen hadden het niet breed en ik had meer geld dan ik op kon maken. Op zaterdagavond zocht ik het café op waar veel Katwijkse vissers hun borreltje kwamen drinken. In het weekend zorgden een accordionist en zanger voor livemuziek. Smartlappen als 'Mijn wiegje was een stijfsel kissie' en 'Toe papa'tje drink niet meer' galmden door Het Achtje en naarmate de avond verstreek zongen steeds meer mannen mee. Het café sloot om middernacht, maar ik was nog lang niet moe. Met onvaste tred trok ik de stad in, op zoek naar een café dat nog niet zijn deuren gesloten had. Een agent op de fiets haalde mij in en stapte af. Hij vroeg waar ik naar op weg was. 'Een café dat nog geopend is? Geen probleem.', zei hij, 'Stap maar achterop, dan breng ik je er naartoe.' Met moeite klom ik achterop en slingerend trapte de agent op de pedalen. Wij reden over de Stationsweg, staken de brug over en sloegen de Breestraat in. Aan het einde van de Breestraat rook ik onraad. Ik liet mij van de bagagedrager glijden en vroeg hem waar dat café van hem dan wel was. 'In de Zonneveldstraat.', antwoordde hij. Ik bedankte hem hartelijk voor het ritje en zei dat ik verder lopend wel af kon; het enige dat op dit tijdstip in de Zonneveldstraat was geopend, was het politiebureau. In het café van Kapaan leerde ik Tim kennen. Samen met zijn vader kwam hij er regelmatig klaverjassen en bestelde dan steevast warme chocolademelk. Dit vaste gebruik was hem op de bijnaam Tim 'Chocomelk' komen te staan. Hij scheen er zelf niet echt mee te zitten, maar om hem van deze idiote bijnaam af te helpen leerde ik hem bier drinken. Hij was een snelle leerling, maar zijn bijnaam bleef hardnekkig aan hem kleven. Na een van mijn lessen gingen wij een serenade brengen aan een meisje om de hoek van het café. Al snel werd ons zingen gesmoord door haar vader, die ons vanuit zijn slaapkamerraam allerlei ziektes toewenste. Wij dropen af en slenterden doelloos door de straten. Wij liepen langs de Haarlemmertrekvaart toen mijn oog viel op een kleine sloep met kajuit. Ik werd overspoeld door heimwee naar de zee en wilde meteen uit varen gaan. De sloep lag een eindje van de kade, maar dat deerde ons niet. Wij waadden naar de sloep en hesen ons aan boord. In de kajuit lag de slinger om de motor te starten en wij wrongen ons naar binnen. Zo konden wij niet varen, vonden wij, en zetten onze ruggen schrap tegen de wanden van de kajuit. De wanden gaven gemakkelijk mee en vielen met een luide plons in het water. Ons gestommel in de sloep had twee agenten aangetrokken, die ons geboden naar de kant te komen. Gedwee waadde Tim naar de kade terug, maar ik sprong in het water en zwom naar de overkant. Eenmaal aan de overkant werd ik op het droge geholpen door de collega's van de twee agenten. Drijfnat kwamen Tim en ik op bureau Zonneveldstraat aan, om meteen verhoord te worden door een slaperige inspecteur. Het verhoor scheen eindeloos te duren en ik bietste een shaggie van de inspecteur. De shag in mijn borstzak was doorweekt en maakte een diepbruine vlek in mijn nieuwe overhemd. Toen de inspecteur zich weer naar mij voorover boog en vroeg naar de toedracht van ons vandalisme blies ik kalm de sigarettenrook in zijn gezicht. Op slag verloor hij zijn geduld en vloekend gaf hij enkele agenten de opdracht om ons in de cel te werpen. Voordat ik de kamer verliet, siste hij dat hij mij 's nachts nog wel even op kwam zoeken om met mij 'te praten'. Op de gang kreeg ik een deken aangereikt en daarna stapte ik voor het eerst van mijn leven een cel binnen. Eenmaal binnen ging ik op zoek naar een voorwerp waarmee ik me tegen de inspecteur verdedigen kon, maar alles zat in de cementen vloer verankerd. Om mij niet door de inspecteur te laten verrassen besloot ik op te blijven. Ik bladerde door de christelijke cellectuur en viel uiteindelijk aan het kleine tafeltje in slaap. 's Ochtends om acht uur werd ik ruw uit mijn slaap gewekt en moest ik mijn deken inleveren. Ik kreeg de opdracht om mij op te frissen, want de politiefotograaf stond al op mij te wachten. Ik kreeg een nummerbord in handen gedrukt en daarna moest ik op een laag krukje plaatsnemen. Verblind werd ik door een verse rechercheur naar de verhoorruimte geloodst. Toen hij hoorde dat ik zeeman was, ging het gesprek alleen nog over varen. Hij vroeg mij om buitenlandse postzegels voor hem verzamelen als ik weer op zee zat. Onverschillig informeerde hij tussendoor naar mijn nachtelijke baldadigheid. Al snel werd ik met een procesverbaal op zak buiten de deur gezet. Buiten stond Tim al op mij te wachten. Hij had ook de nacht in een cel doorgebracht en maakte zich zorgen over de reactie van zijn vader. Tim's vader was aannemer en kreeg regelmatig opdrachten van de gemeente. Als uitlekte dat de zoon van de aannemer een strafblad had zouden die opdrachten wel eens naar een andere aannemer kunnen gaan. Voordat wij naar huis terugkeerden gingen wij bij de eigenaar van de boot langs. Wij boden hem onze verontschuldigingen aan en rekenden de schade contant met hem af. Hij beloofde ons bij de politie langs te gaan om het procesverbaal ongedaan te maken. 's Middags gingen wij weer bij hem langs om te horen of het hem gelukt was. Hij moest ons teleurstellen; de ijverige rechercheur had de papieren al naar het kantongerecht in Den Haag gestuurd. Vader vond het geen enkel probleem dat ik een nachtje had vastgezeten. Hij had een hekel aan alles wat met de politie te maken had. Tim's vader was echter in alle staten. Hij dreigde Tim met ontslag uit zijn bedrijf als zijn stafblad een nadelige invloed had op het krijgen van gemeentelijke opdrachten. Mijn ouders kregen de wijkagent aan de deur, die waarschuwde dat ik het land niet mocht verlaten voordat ik was voorgekomen. Dat zou niet lang duren, zei hij, want zeelieden kregen voorrang vanwege de aard van hun werk. In afwachting van mijn oproep ging ik met vader werken in de haven. Thuis maakte ik alleen maar brokken, oordeelde hij. Na twee weken ontving ik een brief uit Den Haag met de mededeling dat ik een week later moest voorkomen. In het gerechtsgebouw maakte ik kennis met de mij toegewezen advocaat. Ik hoefde hem niets over het voorval te vertellen, want hij wist alles al uit het politierapport. Zenuwachtig nam ik plaats in de wachtkamer en wachtte gelaten de gebeurtenissen af. Toen mijn naam werd afgeroepen werd ik opgehaald door mijn advocaat. De aanklager zette een keel op alsof ik in mijn eentje heel Leiden had afgebroken. Hij eiste twee weken gevangenisstraf met een proeftijd van vijf jaar en een forse boete. Mijn advocaat mompelde iets onverstaanbaars en daarna richtte de rechter het woord tot mij. Volgens de rechter trapte iedereen in een moment van drift wel eens een deur in. In aanmerking genomen dat ik een zeeman was, vond hij het slopen van de kajuit een soortgelijk vergrijp. Hij stelde de straf vast op twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en een geldboete van zestig gulden. Voor het verlaten van het gebouw kon ik de boete bij de administratie voldoen. Voordat ik de zaal verliet, vroeg de rechter mij nog of de straf mij meeviel. Het was hem namelijk opgevallen dat ik de aanklager nogal agressief had aangestaard. Ik ontkende en antwoordde dat ik 's avonds maar eens ging stappen om de goede afloop te vieren. Na een gat in de dag geslapen te hebben bracht ik de volgende dag mijn koffer in gereedheid. Ik nam de trein naar Rotterdam en ging op zoek naar een baan op een kustvaarder. |